‘Als we Hawking mogen geloven, zijn de aliens al lang onder ons.’

Stijn Meuris in het hoofd van Stephen Hawking

Dat de vorig jaar overleden Britse natuurkundige, wiskundige en kosmoloog Stephen Hawking een genie was, weten we. Dat Stijn Meuris een fan is van all things sterrenkunde ook. Stijn duikt nu ín het hoofd van Hawking, en dat doet hij niet alleen, want hij neemt ook een orkest, Room 13 Orchestra, én een visuele artieste, Lise Vanlerberghe, mee.
Katrien Brys

Stijn Meuris: “Het lag misschien voor de hand dat ik ooit een voorstelling over Stephen Hawking zou maken, maar het voorstel, ook om samen te werken met het Gentse Room 13 Orchestra, kwam eigenlijk van Martine Van Autrijve van Koortzz. Wacht eens even, dacht ik, ik vertel over Hawking, en tussendoor is er muziek en er wordt ook nog eens live animatie bijgetekend door Lise? Gaat dat wel allemaal matchen met elkaar? Het antwoord op die vraag blijkt dus: ja. Het sluit allemaal naadloos op elkaar aan, alsof het een film is. Room 13 heeft bijvoorbeeld arrangementen gemaakt van enkele Noordkaap-nummers, die wonderwel aansluiten op het thema. Ik blijk enorm veel nummers geschreven te hebben die zowel van ver als van dicht over de kosmos gaan, nog veel meer dan ik dacht. (lacht)Als type voorstelling is het weliswaar een beetje een Fremdkörper, maar dat maakt er voor ons ook een geweldig spannend experiment van.”

Ik vond nog een interview met jou terug uit 2009, naar aanleiding van Stijn en het Heelalop Canvas, waarin je Stephen Hawking je favoriete astronoom noemt. Wat maakte hem voor jou zo bijzonder?

“Het is eigenlijk heel simpel: mocht Stephen Hawking niet aan ALS geleden hebben en zo vroeg in een rolstoel zijn beland, dan hadden we misschien nooit van hem gehoord. Dat klinkt wat oneerbiedig, maar volgens mij is het de realiteit. Mensen vergeten nu soms dat hij echt wel een topwetenschapper was en zien hem als een soort societyfiguur. Dat die in een extreem highbrow vakgebied werkte en zo’n verregaande ideeën had dat collega-wetenschappers er zelfs niet aan dachten. Of indien wel, dan waren ze niet gekend bij het grote publiek. Hawking daarentegen, die gaf lezingen, dook op in The Simpsons, als LEGO-figuur… Van zijn boeken werden miljoenen exemplaren verkocht. Hij opende een deur naar een andere manier van nadenken, over hoe de kosmos in elkaar zit, over zwarte gaten en parallelle universums, en wat dat allemaal precies is.”

Het helpt dat we zwarte gaten en andere dimensies als concepten al kennen uit de sciencefiction. We snappen de wetenschap misschien niet, maar dat er elf dimensies zouden zijn prikkelt wel de fantasie.

“Dat is ook zo grappig. Mensen kennen drie dimensies; lengte, breedte en hoogte. Met wat fantasie is tijd de vierde, maar veel mensen vinden dat al lastig, om tijd te zien als een lineair gegeven. Hawking, die zei ineens: ‘Zeg, ik heb eens gerekend, ik denk dat er elf dimensies zijn.’ (lacht)Onze hersenen kraken bij vier, hij zat aan elf. Nóg grappiger is dat hij dan enkele jaren later zei dat het er dan toch maar zeven bleken te zijn. Waren we ineens vier dimensies kwijt, die we om te beginnen al niet snapten, laat staan in woorden konden omschrijven. Dat illustreert wel hoe die man zijn brein werkte. Een theorie van mezelf is dat hij door zijn ziekte op den duur ook écht alleen nog maar brein was, dat hij al tot een soort tussenstadium tussen mens en computer was geëvolueerd.”

Als je dan zo’n voorstelling maakt, is er dan geen gevaar dat je veel dingen moet uitleggen die het publiek niet eens kan snappen?

“Ja, natuurlijk. En dat is ook mijn probleem, want ik ben geen wetenschapper. Als Hawking in A Brief History of Timeovergaat tot de pure wiskunde of fysica, moet ik ook afhaken. De verwondering, die kan je wél overbrengen. We hebben daar lang over gediscussieerd: hoe diep moet ik in die wetenschap gaan? Onze conclusie was: maak de mensen gewoon warm. Zorg dat ze buitenkomen na de voorstelling, naar boven kijken en denken: ‘Wow, dat wist ik helemaal niet!’”

Leg eens in een paar punten uit zijn wetenschappelijke verdienste uit?

“Op basis van zijn theorieën en berekeningen is de kosmologie – de wiskundige tak van de astronomie – een stuk verder geraakt. Een ervan ging over de fameuze Big Bang, ongeveer 13,8 miljard jaar geleden. Maar dan is er de vraag, die zelfs kleine kinderen stellen: ‘Oké, maar wat was er dan daarvóór?’ Hawking toonde aan dat dat een singulariteit was. Een punt – je mag het eigenlijk niet zo noemen – van onbestemde omvang. Soms zeggen mensen: dat was een punt zo groot als een speldenkop, of nog kleiner. Niet dus, want het woord ‘klein’ is niet toepasbaar. En tijd ook niet, want tijd bestond nog niet, enzovoort. Redelijk moeilijk al. Hij ontdekte bijvoorbeeld ook de Hawkingsstraling, dat er toch data kan ontsnappen uit een zwart gat. Geen voorpaginanieuws in Het Laatste Nieuws, maar qua wetenschappelijke doorbraak vergelijkbaar met vaststellen dat de aarde toch niet plat is.” 

We hebben net de uitgebreide viering van de eerste maanlanding achter de rug. Hoe schat je de kansen van de bemande ruimtevaart in?

“Heel slecht. Na de laatste Apollomissie van 1972 is er amper nog iets gebeurd. De Amerikanen hadden aan de Russen kunnen bewijzen dat zij het konden en de Russen niet: daarna was het vet van de soep. Ja, er is het ISS, maar dat hangt op 400 kilometer hoogte, dat is van hier naar Parijs. De SpaceShuttle, dat is gewoon mislukt. Zowel NASA als de Russen hebben volgens mij stiekem besloten: we doen alles met robots. Minder sexy, wel haalbaarder en veiliger. ‘t Is altijd lachen als er weer eens een Amerikaanse president aan het einde van zijn ambtstermijn lallend in een micro roept: ‘En we gaan naar Mars!’ Dan kruipen er bij NASA waarschijnlijk enkele ingenieurs onder hun bureau.”

‘Mensen vergeten soms dat hij een topwetenschapper was en zien hem als een societyfiguur’

Elon Musk volhardt nochtans ook in zijn idee dat er in 2040 een mensenkolonie op Mars zit.

“De eerstkomende vijftig jaar, vergeet het. De maan, dat kan wel, maar waarom zouden we? Als eerste tussenstap om naar Mars te gaan, klinkt het dan. Bekijk eens goed die afstand op de kaart? Want dat is hetzelfde als dat je – met veel moeite – van Oostende naar Leffinge geraakt, als eerste tussenstap om Moskou te bereiken. Ooit verhuist de mens wel. Ooit. Dat is geen vage theorie, maar iets waar wetenschappers ernstig rekening mee houden. Maar wij noch onze kinderen gaan het meemaken.”

Om af te sluiten: moeten we schrik hebben van buitenaards leven, zoals Hawking geloofde?

“Onder wetenschappers schiet dat twee kanten uit. Er zijn er die zeggen: alseen interplanetaire beschaving erin slaagt om tot hier te geraken, dan zijn die vast en zeker zo ver gevorderd in hun evolutionaire ontwikkeling dat ze ook geen primitieve concepten als oorlog en strijd meer kennen. Andere wetenschappers, waaronder Hawking, schatten dat minder positief in. Buitenaards leven dat tot hier komt is dan vooral geïnteresseerd in het plunderen van onze grondstoffen. Hawking had er trouwens nog een spannendere theorie over, namelijk: ze zijn hier al! De mensheid is een biologisch experiment van een buitenaardse levensvorm, waarbij de aarde als een soort serrekastje fungeert. En om de zoveel honderd jaar komen ze eens kijken hoe het met hun plantjes gesteld is. (lacht)Hawking meende dat dus, hij verbond dat zelfs met de grote golf van onverklaarde UFO-sightingsin de tweede helft van de vorige eeuw, te beginnen met het Roswellincident in 1947. Dat was volgens hem dus zo’n periode waarin die aliens even naar hun experiment kwamen kijken.”

Credits
Illustratie: Janice Feryn

‘Elektrische wagens zijn echt zeer ongezond’

Normaal hadden we hier een Idee gepubliceerd uit de speciale editie die Lucas De Man en Knack hebben samengesteld onder de titel: 100 ideeën voor een betere wereld. Maar tijdens het lezen bleven we toch vooral haperen aan een fragment uit een interview met de Duitse architect Thomas Rau. In het bijzonder moet Tesla het ontgelden, het geesteskind van de ondernemer Elon Musk. Thomas Rau: “De elektrische auto is een van onze grootste problemen. Ik zou iedereen afraden ermee te rijden. Het is slecht voor de volksgezondheid.”

Hoezo?

“Een elektrische auto heeft een elektrische wisselmotor. Die bouwt een elektrisch veld op, en dat veroorzaakt elektrosmog. In een gemi- ddelde elektrische auto ligt die – ik heb het zelf gemeten – tussen de 50.000 en 60.000 nanotesla. Ja, dat wordt in tesla gemeten. (lacht) Ter vergelijking: achter een beeldscherm mag van de Wereldgezondheid- sorganisatie maximaal 200 nanotesla schuilgaan. Ik heb een Tesla gehad, een van de eersten. Ik ben doodziek geworden, nooit meer ga ik in die auto zitten. Er zijn rapporten die zeggen dat langere tijd blootgesteld zijn aan meer dan 20.000 nanotesla kankerverwekkend is. Dat is wat we dus gaan doen: iedereen in zo’n kankerbolide zetten. Ik denk dat dat geen goed idee is.”

Ter info: de Duitser voegt eraan toe dat het euvel op te lossen valt, technisch gesproken. Maar dat het vooralsnog zeer duur is, tussen 8.000 en 10.000 dollar per wagen. En dat de auto-industrie niet ge- neigd is om die investering te doen. De firma Tesla wou niet reageren op het interview, zo liet de redactie van Knack nog weten. (SH)

100 ideeën voor een betere wereld is overal verkrijgbaar en kost 9,95 euro.

‘Waarom zou ik me moeten schamen over mijn lichaam?’

Julie Cafmeyer over ‘foute’ vrouwen

In Bad Woman gaat theatermaker en columniste Julie Cafmeyer aan het worstelen. Met beelden vooral – vrouwbeeld, lichaamsbeeld, wereldbeeld – en hoe conservatief, beperkend of strontvervelend die vaak nog zijn. Naar analogie met de oorspronkelijke titel van de voorstelling, Confessions Of A White Girl, zijn dit haar bekentenissen. 
– Katrien Brys

1. Het lichaam mag bevrijd worden

Bad Womangaat over het vrouwelijk lichaam. Mijn lichaam. En hoe vaak er over onze lichamen opmerkingen worden gemaakt. Je bent te dik, te dun, te dit, te dat… Ik veronderstel niet dat alleen vrouwen daar het slachtoffer van zijn – bij mannen heerst er tegenwoordig vast ook meer een body culture– maar mijn ervaring is natuurlijk wel die van een 31-jarige vrouw. En dan moet ik erkennen: ja, ik krijg opmerkingen van vrienden, lieven, familieleden, waar ik soms van afzie en die mij onzeker maken. Zodanig dat ik ineens bij mezelf merkte dat ik zwembadfeestjes altijd afsloeg, of nooit naar het strand ging. Terwijl ik een normale jonge vrouw ben. Dus waarom zou ik eigenlijk beschaamd moeten zijn over mijn lichaam? Want 99 procent van de mensen heeft géén modellenlichaam. Het is dan wel straf als je merkt hoeveel vrouwen – en dus vast ook mannen – daar in hun hoofd over lopen te malen.”

‘Op een feestje kreeg ik de vraag: zou een spermabank niets zijn voor u?’

2. Seks en/of liefde: het een sluit het ander niet uit

“Ik had een lange periode geen vaste relatie, wel veel affaires en romances. Soms kreeg ik vreemde reacties. Ik herinner me dat ik langsging bij een dokter voor een soa-test – het condoom was gescheurd – die me onder mijn voeten gaf. Of het wel zo’n goed idee was om van die losse contacten te hebben? Zeg, dacht ik toen, ik doe toch wat ik wil?Geconfronteerd met dat soort conservatisme, word ik rebels. Hoe dat er bij meisjes ook nog steeds ingestampt wordt: je moet je laten veroveren, oppassen voor mannen, je mag je niet laten doen, je lichaam niet te snel geven. Onzin. Vrouwen willen soms ook gewoon seks. En/of liefde, het een sluit het ander heus niet uit. In de columns die ik schrijf voor De Morgenben ik daar zeer openhartig over. Dat leidt soms tot harde reacties, maar ik krijg net zo goed ook lieve en zelfs dankbare reacties van vrouwen én mannen, omdat ik iets hardop gezegd heb dat ze zelf niet goed durfden.”

© Helena Verheye
3. Het is niet vanzelfsprekend om moeder te worden

“De oorspronkelijke titel van deze voorstelling was Confessions Of A White Girl, maar na enkele gesprekken met een bevriende feministische schrijfster besloot ik die te schrappen. Die titel voelde ineens niet meer goed. Ik wou het immers hebben over mijn zoektocht naar de vrouw die ík wil zijn, niet over het ‘white girl’-concept op zich. Want ineens kreeg ik ook uitnodigingen voor debatten over diversiteit, terwijl ik mij daar absoluut niet voor gekwalificeerd vind: ik ben gewoon een theatermaker, geen politicus of diversiteitexpert. Bad Womandaarentegen voelt helemaal juist. Het vat voor mij helemaal samen hoe we als vrouwen nog veel te veel gebukt moeten gaan onder bepaalde opgelegde normen. Dat we slecht bezig zouden zijn als we geen vast lief hebben, of als we ons eens razend kwaad maken, of nog geen kind willen, laat staan al hébben op ons 31ste. Op een feestje stelde iemand me letterlijk die vraag: “Zou een spermabank niets zijn voor u?” Die enorme, en enorm foute, veronderstelling dat ‘kinderen willen’ een evidentie is, geen vraag. De Canadese schrijver Sheila Heti schreef daar een fascinerende roman over, Motherhood, die precies gaat over hoe we de beslissing nemen om wel of geen kinderen te willen, en hoe we tot een conclusie kunnen komen.”

Kouten over Pfeijffer en Europa

Die ochtend in de Leesclub

De croissants zijn nog warm. De koffiemachine reutelt. Het is gezellig druk tussen de vele honderden boeken in het Leeshuus. Mensen van respectabele leeftijd, zoals dat heet. Je moet het ook willen: een boompje opzetten over literatuur om 9 uur ’s morgens. Wie piekt er zo vroeg op de dag, fysiek en intellectueel? Geen twintigers of dertigers of veertigers, zo blijkt. En terwijl buiten grijze wolken de zon verhinderen om een stralend ochtendhumeur te etaleren, stapelen binnen de verwachtingen zich op voor de eerste Leesclub in een rij van tien.

“Heeft iedereen al koffie of thee gekregen? Ik zou willen beginnen,” zegt Els Snick. Samen met haar leesgezel Jos Geysels, minister van Staat maar in TAZ-kringen vooral bekend als ankerman tijdens vele jaren Uitgelezen Aan Zee, voert ze de nieuwe Leesclub aan. Snick heeft ervaring als docent en dat voel je: ze weet wat het is om haar doelgroep, die al dan niet nog wakker moet worden, vlotjes te activeren. “Ik ga eerst een fragment voorlezen en dan is het aan jullie.” Het fragment is afkomstig uit Grand Hotel Europavan Ilja Leonard Pfeijffer en gaat over ‘traditie omwille van de traditie’, over verleden en toekomst, over onze lange Europese ‘historie’ en over ‘de kracht van de Chinese chef’. Klinkt verwarrend? Dat is het ook een beetje voor wie de roman in kwestie nog niet heeft gelezen – zoals ondergetekende. Gaandeweg zal duidelijk worden dat er deze ochtend nog een aantal onbevooroordeelde aanwezigen is. Ter info: het boek (nog) niet gelezen hebben is hier zeker geen doodzonde; luisteren naar een collectieve boekbespreking prikkelt juist op een prettige manier je verbeelding. Het maakt vooral nieuws- en dus leesgierig. Maar participeren met argumenten is natuurlijk moeilijk of onmogelijk. En af en toe is er sprake van spoiler alert. Maar met een beetje geluk valt die spoiler samen met het gereutel van de koffiemachine en dan is er helemaal geen probleem. 

Intussen is ook de voorzet van Snick beantwoord met een eerste individuele lezersanalyse van een baardige meneer. Hij verwijst naar het ‘transcendente’ karakter van Pfeijffers magnum opusen de verschillen tussen een essay en ‘losse bedenkingen’. Het is 9u07 en je hoort de verzamelde hersenen in de boekhandel knetteren. Of kraken, dat kan ook. In deze Leesclub moet je je koffie en croissant verdienen, jazeker; wie kan beter? Even later wappert de mantel der liefde gelukkig als vanouds, met dank aan een dame die haar emotionele conclusie over de heer Ilja Leonard Pfeijffer maar meteen in de groep gooit: “Ik vergeef deze auteur alles. Het is een Bourgondische geest. Van een ander zou ik het niet pikken.” Haar laudatio krijgt bijval uit verschillende hoeken en het groepsgesprek kabbelt voort, over het verschil tussen toerisme en camouflagetoerisme – een mooi onderwerp in Oostende, stad aan zee – en de vergelijking met Thomas Mann en De Toverberg. Spoiler alert: Mann is nog altijd veel beter.

Het is, kortom, aangenaam ontwaken in ‘t Leeshuus. Intellectueel pieken mag – maar is niet verplicht. Zachtjes mijmeren is toegelaten. Zelfs zwijgen en knikken volstaan. En de liefde voor literatuur, fictie en non-fictie, neemt alleen maar toe. Allons-y, allen naar de Groentemarkt!

‘Samen maken we iets groters dan onszelf’

Avond van Hoop door Jong Gewei (Kloppend Hert)

In tijden van polarisatie wil Lucas De Man zoveel mogelijk mensen met ‘goeie moed en energie’ injecteren. Daarom riep hij De Avonden van Hoopin het leven. Vijf gezelschappen – Het Zuidelijk Toneel, Kloppend Hert, Arsenaal/Lazarus, Het nieuwstedelijk en Victoria Deluxe/Kopergietery – nodigde hij uit om telkens een avond aan hoop te wijden.

Ik bezoek een van die wegbereiders van de hoop. Jong Gewei is een initiatief van het Gentse theatergezelschap Kloppend Hert, in samenwerking met de Vooruit, sociaal-artistiek huis De Vieze Gasten en de opleiding KASK Drama. “Wij willen een veilige haven zijn voor jongeren die vandaag ondervertegenwoordigd zijn in het Vlaamse theater, op het podium en in de zaal”, zegt Elise De Vos, productieleider van Kloppend Hert. “Vaak denken ze dat cultuurhuizen niets voor hen zijn, maar voor een gegoede elite. Bovendien hebben ze niet alleen angst om op een podium te staan, maar kortweg angst om te zijn. Ze denken dat er voor hen geen plaats is in de wereld. Door een plek te creëren waar ze kunnen experimenteren, kweken ze zelfvertrouwen en leren ze zichzelf en de theaterwereld kennen.”

Door de muren heen hoor ik de jongeren een bekende leuze scanderen: “On est plus chaud, plus chaud que le climat.” Het wordt een toonmoment vol jeugdig activisme, zoveel is zeker.

Hoopvol pessimistisch

Ik ontmoet hen aan het einde van hun eerste repetitiedag. Haider Al Timimi, regisseur en artistiek leider van Kloppend Hert, probeert de vrolijk drukke bende aan een lange tafel te krijgen. “Guys, guys,welk beeld gaan we maken?” Ze nemen plaats in een soort laatste avondmaal en houden een strakke pose aan. Al Timimi sleutelt aan hun armen en gelaatsuitdrukkingen. Aan dezelfde tafel wil ik later van hen weten wat ze onder hoop verstaan.

“De hoop waarmee wij werken, vertrekt vanuit pessimisme,” zegt Suzanne, tweeëntwintig jaar. “Uit pessimisme groeit een woede die superkrachtig is,” zegt de zeventienjarige Yaël. “Zeker als die woede gedeeld wordt, krijg je een yes-gevoel: ‘We gaan de handen in elkaar gaan slaan!’” Loreis vijfentwintig jaar en al een van de ouderen van Jong Gewei: “Niet de woede per se geeft hoop, maar het collectief.” “Als je jouw woede samen met anderen uit”, zegt Shushanik, vierentwintig, “dan creëer je hoop en kan activisme ontstaan. Denk maar aan de klimaatmarsen.”

“Als je woede deelt met anderen, creëer je hoop” (Yaël, 17)     

De jongeren van Jong Gewei behoren tot de klimaatgeneratie. Bijna allemaal liepen ze al mee in de klimaatmarsen. Maar de wetenschappelijke vooruitzichten over de klimaatcrisis zijn wel erg pessimistisch. Is dat geen hoop tegen beter weten in? Ze aarzelen: “Tricky question.” “Maar uit de kleinste kans ontstaat hoop,” zegt de negentienjarige Diego. Malik, ook negentien, gaat nog verder: “Er moet zelfs geen kans zijn om te hopen. Hoop hoeft voor mij niet reëel te zijn. Soms kan uit niets iets nieuws ontstaan, dat we nog niet verwachten.” Suzanne: “Ik denk ook dat er iets aan het veranderen is, zo geven winkels geen plastic zakjes meer. Dat wordt gedragen door die marsen.”

“Intens pessimisme kan ook verlammen. Hoe zorg je er dan voor dat je blijft hopen?” vraagt Lore zich af. “Ik denk dat je altijd een vertrouwenspersoon nodig hebt,” zegt Shushanik. “Iemand met wie je kunt babbelen.” “Krachtige figuren spelen een belangrijke rol,” vult Suzanne aan. “Zoals Greta Thunberg. Je kunt op hen vertrouwen en het zelf een beetje loslaten.” Maar loslaten associeert Yaël vooral met ongebreideld optimisme. “Alsof alles automatisch goed komt en je het aan andere mensen kan overlaten. Pessimisme impliceert ook dat je zelf iets moet doen. We moeten allemaal actievoeren.” “Wij willen in de voorstelling tonen dat je vanuit pessimisme hoop kunt creëren,” zegt de achttienjarige Juliette. “Verandering is mogelijk.”

Vriendelijke revolutie

Theater en activisme liggen voor hen duidelijk dicht bij elkaar. Zijn ze allemaal jonge revolutionairen? “Af en toe,” lacht Diego. “Vanbinnen ben ik revolutionair, maar vanbuiten blijf ik altijd rustig.” Yaël: “Ik geloof dat wat wij doen op het podium, iets in beweging kan zetten. De beste theaterstukken zijn voor mij de stukken die me doen nadenken op een manier zoals ik er nog niet over had nagedacht.” Suzanne: “Mijn meest revolutionaire kant is volgens mij dat ik in discussies, als ik het niet eens ben met iemand, supervriendelijk blijf uitleggen wat ik denk. Dat probeer ik consequent te doen.” “Je moet altijd open blijven voor wat die ander zegt,” voegt Yaël daar nog aan toe. “Een van de dingen die ik het hoopvolst vind, is dat je in discussies van elkaar bijleert, ook al was je het niet eens.”

De jongeren van Jong Gewei beginnen bij woede en pessimisme, maar hun energieke revolutie is er in de eerste plaats een van de vriendelijkheid. Ze zijn zelf een groep van diverse afkomst en overtuigingen. “Als we tonen dat wij kunnen samenwerken”, zegt Suzanne, “kunnen we zelf een voorbeeld zijn.’‘ “Wij zijn een titaan,” schetst Diego. “Zij is de voet, hij het hoofd, daar de arm. Wij maken samen iets groters dan onszelf.”

Kijken door een filter

‘Bloemen van een autist’ over (on)mogelijke liefde


Vintage TAZ: grote drommen toeschouwers die schuifelend De Grote Post vullen tot de nok en een paar ongelukkige achterblijvers voor wie zelfs de wachtlijst geen soelaas biedt. Theater is altijd een collectief gebeuren, maar op TAZ is het toch nog een tikkeltje collectiever. Het begint al op de trappen: de groep die ademt en slentert als één creatuur, verlangend en gulzig, blik en borst vooruit.

Op het podium, ons spiegelbeeld: de gigantische gevel van een grauw woonblok dat mondjesmaat volloopt met broeders en zusters van Tutti Fratelli. Er zit ook een orkestje in en rechtsboven, op een imaginaire vensterbank: een prachtige ruiker rode rozen. Bloemen van een autist is in de eerste plaats een verhaal over de (on)mogelijke liefde.

(c) Cuauhtémoc Garmendia

Het muzikale thema doet denken aan de soundtrack van The Shape of Water, een van mijn favoriete liefdesfilms, en ook de verhaallijn baadt in dezelfde magisch-nostalgische sfeer van moed die in de schoenen zinkt en het ‘willen maar niet kunnen zeggen’; een betoverende herkenbaarheid die stevig wordt uitgelicht door zware spots en dikke lagen maquillage. Wie verliefd is, kijkt door een filter naar de werkelijkheid.

Hoofdpersonage Matthias kijkt al zijn hele leven door een filter: hij classificeert alles, telt nauwgezet de minuten op de bus en herkende zijn schoolkameraadjes aan hun schoenen (omdat hij ze niet in de ogen durfde te kijken). Zijn autisme maakt verliefd worden er niet makkelijker op. Gelukkig is er de zaligmakend vernietigende kracht van de regen: “Mijn kop zit vol rommel, maar als het regent heb ik het gevoel dat alles wegstroomt.”

Zijn verhaal is ons verhaal. Leven is proberen, orde scheppen in de eigen chaos, en aan de zijlijn bulkt het van supporters, criticasters, luide buren en innerlijke stemmetjes. Het is tevens de poëzie van het woonblok, waar gedachten voortdurend overstemd worden door het sprezzatura van het nooit aflatende samenleven. We kunnen, in the end, niet ‘met’ maar ook niet ‘zonder’ elkaar, nie waar?

“Er worden talloze verhalen gemaakt over de liefde, maar er zijn er maar een paar die blijven plakken. Alles heeft te maken met hoe je het vertelt,” klinkt het in Bloemen van een autist. Welaan, dit stuk blijft plakken. Shout-out naar schrijver-regisseur Jan Sobrie, die de perfecte balans wist te vinden tussen verfijnde en grove borstelstreken. Shout-out naar de Fratelli, die opnieuw een prachtig en rijkgeschakeerd tableau vormen. En een zeer luide shout-out naar Reinhilde Decleir, die werkelijk de allermooiste kaders smeedt.

HET IS AAN… Delphine Lecompte

HET IS AAN… DELPHINE LECOMPTE



Oostende, ik verguis je niet meer

Ik groeide op in De Panne, een wilde en wetteloze kindertijd. Niemand keek naar me om (behalve de pedofiele tuinman), en dat vond ik heerlijk!
Ik stichtte brandjes in de duinen, pestte de veelgeplaagde ezeldrijver, deed belletje trek bij alle bewoners van de Toeristenlaan en raakte bevriend met een vereenzaamde Russische gravin die mij zure beertjes gaf (en af en toe een vingerhoed wodka), die Dode Zielen voorlas en die mijn kousen stopte.
Er stonden bunkers op het strand en in die bunkers maakte ik kennis met condooms en kroonkurken, ik nam die mee naar huis en legde ze als relikwieën op mijn nachtkastje.
Verder was er ook de Meli, een knullig pretpark met als thema ‘bijen’. Maar er waren niet enkel bijen in de Meli; er waren ook papegaaien die op fietsjes reden en kubistische portretten maakten.
En de dijk, oh de dijk, met zijn verfomfaaide orgeldraaier en zijn vulgaire Duitse toeristen en zijn opblaasreptielen en zijn groezelige tearooms Arizona en Monte Carlo genaamd, en op het eind van de dijk het standbeeld van de enige juiste koning: Leopold I.
Maar een keer per jaar moest ik samen met mijn grootouders naar Oostende, waar de zus van mijn grootmoeder woonde.
Ze was gierig en ongetrouwd. Ze verzamelde pluchen katten, maar ik mocht ze niet aanraken.
Ik heb Oostende heel lang geassocieerd met die antipathieke oude vrijster.
Tot ik naar Brugge verhuisde en terechtkwam in een onorthodoxe school waar veel kinderen uit Oostende les volgden.
Een van die kinderen was Marald, een onweerstaanbare baldadige punker met een hart van goud (als dat niet te banaal klinkt) en een penis om kraanvogel tegen te zeggen.
Natuurlijk was ik verliefd op Marald. En dus werd ik noodgedwongen ook verliefd op Oostende.
Oostende kwam me voor als ruig maar ook liefdevol; de badstad waar misfits in de armen worden gesloten.
Ik was een misfit. Ik ben een misfit. Bedankt Oostende, bedankt dat ik hier mag thuiskomen.

Credits
Illustratie: Janice Feryn