‘Het moet vooral een schone show worden’

Interview met Emma Lesuis over haar laatavondprogramma 

De Nederlandse Emma Lesuis studeerde woordkunst in Antwerpen, verhuisde voor de liefde naar Amsterdam en zou mét liefde ook wel weer willen terugkeren naar Vlaanderen. Op logies in Oostende neemt ze een bont kunstenaarscollectief mee de nacht in. ‘Wat ik hoop? Dat mensen openstaan voor nieuwe gezichten. Niet voor een zoveelste talkshow met BV’s, maar voor artiesten die vanuit een ander perspectief iets te vertellen hebben.’ 

We bellen de storyteller als ze net is teruggekeerd uit het Oerolfestival in Terschelling. Ze bracht er haar live documentaire Aardappelbloed, waarvan het concept vorig jaar bekroond werd met de Roel Verniers Prijs voor jong podiumtalent. “We deden meer dan twintig voorstellingen. Het was nogal intens,” vat Lesuis nuchter samen. “Op TAZ doe ik weer iets helemaal anders. Lucas De Man vroeg of ik niet een club van kunstenaars met me mee wou brengen: nieuwe, interessante stemmen. En of we er dan niet gelijk een laatavondshow van konden maken? Zodoende ben ik nu een programma aan het maken voor vier dagen met talenten waarvan ik vind dat ze getoond moeten worden, als een soort afsluiter van de festivaldag.” 

Wie staat er allemaal op jouw lijst van geïnviteerden? 

“Ik noem ze woordkunstenaars, maar ze komen uit heel verschillende hoek: slam poets, schrijvers, dichters, singer-songwriters… Elke dag laten ze hun kunsten zien. En er zijn ook een paar vaste items in de show. Zo schrijft er telkens iemand een brief, bestemmeling vrij te kiezen. Briefschrijvers met dienst zijn onder andere Belgisch kampioene poetry slam Lisette Ma Nesa en historicus Heleen Debeuckelaere. In de rubriek ‘Handje Debutantje’ komt dan weer een debuterend schrijver langs.” 

“Elke show komt ook dichteres Astrid Haerens op mijn sofa zitten. Astrid vertolkt de stem van de Oostendenaar. Ze gaat iedere dag de stad in om een inwoner te interviewen of te portretteren via dichtvorm. Ik vind dat belangrijk, om die sense of place mee te geven met het publiek en de artiesten.” 

Waar heb je al die kunstenaars gevonden? 

“Ik ken heel wat mensen in Vlaanderen omdat ik zelf in Antwerpen gewoond en gestudeerd heb. Ik krijg ook hulp van Keltoum Belorf, die als dj MissyK plaatjes bij me komt draaien na elke show. En ik ben een samenwerking aangegaan met het Rotterdamse festival Motel Mozaïque. Dat is een tof, heel divers stadsfestival dat ook zijn thuis heeft in een havenstad. Die uitwisseling leek me hoe dan ook een fijn plan omdat deze editie van TAZ de culturele samenwerking tussen Vlaanderen en Nederland graag wil aanmoedigen.” 

Gaat de nadruk in jouw show liggen op amusement of engagement? 

“Oh, ik praat het allemaal aan elkaar en ik kan best fun zijn. (lacht) Maar er zit altijd wel een laagje onder. In elk geval maken we het op z’n Hollands gezellig. En verder moet het vooral mooi worden, een schone show, zoals jullie dat zeggen.” 

Het wordt sowieso een editie met veel engagement, toch? 

“Ja, maar ik probeer er niet óver te gaan in wat ik doe, het mag geen strijd worden. Het is gewoon zo dat er heel veel geëngageerde kunstenaars zijn, die verhalen hebben die echt verteld móeten worden. De danser Gil The Grid komt bijvoorbeeld bij me langs. Hij heeft een psychose gehad en verwerkt dat op een heel bijzondere manier in beweging. Die drive om echt iets kwijt te willen aan de wereld vind ik heel erg mooi bij een kunstenaar. De artiesten die ik meeneem, hebben dat allemaal wel in zich.” 

Heb je zelf nog een ei dat je graag kwijt zou willen? 

“Jawel, dat er volgens mij iets misgaat met het respect in de culturele sector. Hoeveel ben je waard als kunstenaar? Die vraag stel ik me regelmatig. En dan heb ik het niet enkel over wat je als artiest blijkbaar maar mag kosten aan een organisator of een overheid, maar ook over machtsverhouding. Soms lijk je als kunstenaar dankbaar te moeten zijn alleen al maar omdat je een podium krijgt. Dat is niet helemaal fair.” 

“En als ik nog iets anders wil tonen met mijn show, zonder het daarom zelfs expliciet te willen benoemen, dan is het dat de kunstsector nog altijd veel te wit en te homogeen is. Ik had vandaag nog een festival aan de lijn en hoorde dat alle sprekers die daar komen wit zijn. Dat kán gewoon niet meer. Die discussie wil ik zelfs niet meer voeren.” 

De docu’s die je draaide voor in Search of Democracy 3.0 – ook te zien op TAZ – hebben een duidelijk positieve toon. Moeten kunstenaars positief zijn? 

“Nee, dat vind ik niet. Ik denk dat juist uit negativiteit heel sterke dingen kunnen voortkomen. Veel jong werk dat op TAZ geprogrammeerd staat, is heel kritisch en niet zo vrolijk, maar wel erg boeiend en goed dat het verteld wordt.” 

In Search of Democracy is vooral een heel mooi, liefdevol project waarin de makers op zoek gaan naar ideeën om de rechtstaat op een andere manier vorm te geven. Dat positieve geluid heb ik in beeld willen vatten. Ik noem het trouwens zelf geen documentaires, maar afleveringen. Omdat ze echt mijn stempel dragen: het is mijn verhaal, door mijn ogen bekeken en met mijn stem verteld. Ik weet dat beeld heel manipulerend kan zijn, maar ook heel krachtig. En ik wil proberen die macht zo eerlijk mogelijk te gebruiken.” 

Rêverie zonder exit

Over ‘Through the looking-glass (and what we found there)’ 

‘STROBOSCOOP’ blokletteren de inkomdeuren van het zaaltje waar dadelijk een voltallig publiek plus een rijtje hoopvolle wachtenden – de stoeltjes staan dicht opeen, ze hebben geluk – naar binnen zullen gaan. Alsof dat flikkerlicht het meest verontrustende zal zijn van wat ze daarbinnen te zien gaan krijgen. 

Mispoes. Het lekt, plopt, smakt en suist op het podium, dat lang volzwart blijft. Dan titelt het centraal boven ons dat we de ondertiteling niet horen te lezen. We horen ze te horen, maar ook weer niet te luid: we zouden onszelf verraden, en waar zouden we dán zijn? 

“Ik heb niks nada gehoord,” zegt de ene Bastardo tegen de andere. Er duikt er nog één op uit het duister. Consternatie. Zo zijn ze met drie. Partikels van eenzelfde zelf of eenzaam losgeslagen zielen? De Bastardi gooien ons een paar eindjes toe waarvan we eerst menen dat we ze aan elkaar moeten knopen. Mispoes déjà-visie

Fascinerende scène is dat. “Ik had net een déjà-visie.” “Wooow. Ik ook.” “Net nu?” “Net nu ja. Ik had net een déjà-visie.” “Ik ook.” Hebben ze die chit-chat van daarnet nu niet écht gevoerd? Dat je dat inderdaad zou denken, “maar dat dat niet zo is”, bezweert Bastardo 1 tot enkele malen toe. “Dat dat nu net de definitie is van een déjà-visie.” De musketier – flamboyante hemdsblouse, geflipt charisma – houdt de armen haaks op elkaar, één hand blauw verpakt: een referentiekader met een hoek af. De pols van de vrouwelijke derde Bastardo zit vreemd kronkelend in een afvoerbuis. Nummer twee dwaalt rond in badjas, het zweet op het gezicht. Waanzin komt niet zelden in drie delen. 

Dat je in die waanzin begint te geloven, zit in de geestige absurditeit van de personages als ze dan maar hun eigen waarheid beginnen construeren (de historie van de Apple van het verderf), in het fysieke ongemak (“Houd uw pentakels bij!”) en dan toch onbewust in het verlangen (achter een dichtgeklapte helm). Het zelfgefixte mix-omatose-taaltje kostte ons wat inwerktijd. Al hielpen Lemonardo Di Cabrio en Kennedy (Kennedieni? Ik ken die!) ons uiteindelijk wel om “even wat voltage af te laten” in opbouw naar de grote verdwijntruc in deze zonderlinge rêverie. 

‘Iedere dag een lege brooddoos’

Isil Vos over de thema-avonden ‘RONJA’ 

Betrokkenheid is dit jaar het thema van TAZ. Maar wat als je niet betrokken kunt zijn? Wat als je aan de rand van de maatschappij belandt en niet mee mag doen? Het is de harde realiteit voor mensen in armoede. Met RONJA organiseert Stichting Nieuwe Helden vier avonden in evenveel wijken om die realiteit te bespreken. ‘Hoe kan het dat er in een rijk land als België nog steeds mensen uit de boot vallen?’ Regisseur en host Isil Vos licht toe. 

Vos: “Iets wat velen niet lijken te beseffen, is hoe dichtbij armoede is. We wanen ons in een wereld waarin we alle kansen en alle vrijheid hebben. Wie het niet maakt, is daar zelf verantwoordelijk voor. Dit terwijl we leven in een tijd waar je van het ene op het andere moment onder de armoedegrens terecht kan komen. Dat is het verhaal van Ronja. Ronja is een alleenstaande moeder die een droom had en die wilde verwezenlijken, net zoals wij dat allemaal willen. Ze begon als freelance schrijver, maar plots ging het mis en voor ze het wist zat ze in de problemen. Het is een personage dat zeer dicht staat bij ieder van ons. Zonder dat je het weet, zou het je buurvrouw kunnen zijn.” 

“Tijdens het onderzoek voor dit project hebben we ons regelmatig afgevraagd waarom we in godsnaam een theatervoorstelling over armoede wilden maken. Wat een ego en arrogantie dat we vanuit de kunsten met een antwoord zouden komen! We zien RONJA, de voorstelling, dan ook niet als het moment om met een grote oplossing te komen. We willen wel het debat openen, levendig houden. We moeten erover blijven praten! Daarom kan het publiek niet gewoon een kaartje kopen, in het donker naar de voorstelling kijken en achteraf weer vlug verdwijnen. De avond start met een gastspreker, er is een tweegangendiner, livemuziek, wijn… Belangrijk is ook dat we niet gewoon over de mensen praten, maar met. Van de honderd tickets gaan er iedere avonden veertig naar mensen in armoede. Hopelijk kan het zo dus echt een avond van ontmoeting worden.” 

“Want dat is volgens ons ook een deel van het probleem: we ontmoeten elkaar te weinig. Door een gebrek aan contact verliezen we het menselijke en daarmee onze empathie. Het probleem van iemand anders is het jouwe niet. Maar wanneer je wél met de ander gaat meevoelen, wil je er ook iets aan doen. En dat is onze bedoeling met RONJA. Bovendien is er nog een groot taboe en veel schaamte rond armoede. Al van op de schoolbanken wordt er verzwegen dat sommige kinderen in de klas iedere dag een lege brooddoos meekrijgen.” 

“Voor het verhaal van RONJA hadden we vooraf veel gesprekken met mensen in armoede. Zo was er een groepsgesprek met alleenstaande ouders uit Oostende. Daar waren ouders bij die ’s avonds niets aten zodat er toch genoeg zou zijn voor hun kinderen. “Het is oké. Mama heeft geen honger, ik heb al veel gegeten vandaag, het is voor jullie.” Zelf nooit nieuwe kleren, nooit naar de kapper, nooit iets lekkers… Om hun kinderen toch maar een verjaardagscadeautje te kunnen geven. Ik ben zelf moeder van twee en om dan te horen hoe die ouders, die het al ongelofelijk moeilijk hebben, zich zo wegcijferen voor hun kind… Dat heeft me heel hard gegrepen.” 

Komt het nog goed met de democratie?

Stichting Nieuwe Helden zoekt hoopvolle alternatieven 

Tijdens de Avond van Hoop van Arsenaal/Lazarus en het Nieuw Utrechts Toneel, vertelde acteur Willy Thomas over zijn bezoek aan het Zuid-Engelse dorpje Frome. Hij woonde er de plaatselijke gemeenteraad bij, die sinds 2015 alleen nog bestaat uit verkozenen van de partij Independents for Frome (ifF). Thomas zag hoe in een café-achtige setting aan elke tafel één schepen plaatsnam en de inwoners van Frome vrij aanschoven. Vervolgens leidde de burgemeester, elk jaar een andere, de vergadering. Over alle agendapunten spraken ze – emotioneel of wetenschappelijk gestaafd – tot niemand nog iets toe te voegen had. Op basis van die opmerkingen paste het college meteen de voorliggende decreten aan en legde ze aan het voltallige publiek ter stemming voor. In 2019 won ifF opnieuw alle zetels. 

Dit voorbeeld van lokale directe democratie waarbij iedereen zich gehoord voelt, stemt niet alleen hoopvol, het had net zo goed een tussenstop kunnen zijn in de reis die Stichting Nieuwe Helden maakte langs vernieuwende democratische initiatieven in Europa. Storyteller Emma Lesuis goot hun ontdekkingstocht in België, Nederland en IJsland in een driedelige documentaireserie, die dagelijks doorlopend in de lokettenzaal van De Grote Post te zien is. 

Lego 

Al decennia constateren politicologen dat het vertrouwen in de democratische instellingen blijft afnemen. Er zou een onoverbrugbare kloof tussen burger en politiek bestaan, met de opmars van autoritair en nationalistisch populisme tot gevolg. Stichting Nieuwe Helden vroeg zich daarom af hoe we de democratische structuren kunnen vormgeven zodat ze tegemoetkomen aan de nood aan een transparantere, krachtdadigere, toegankelijkere, ja, democratischere democratie. 

Ze werpen hun licht op bottom-up initiatieven die in Europa als paddenstoelen uit de grond schieten, zoals in Frome. In Nederland bedenkt design thinker Rudy Van Belkom een nieuw kiesstelsel met Lego-blokjes: nu kunnen we enkel op partijen stemmen en moeten we het hele partijprogramma voor lief nemen, maar hij ontwikkelde een kiessysteem waarbij je per thema een andere partij aanduidt. Liever wat linkser op milieu, beetje liberaal op onderwijs. Cherry-picking democratie, zou je het kunnen noemen, waarbij je zelf met bonte kleuren een Lego-toren bouwt. 

In Gent kunnen burgers sinds kort dan weer een deel van begroting zelf uitgeven. Online stemmen de stroppendragers voor projecten waaraan ze dit burgerbudget willen spenderen. Zo kwam er bijvoorbeeld de Geveltuinbrigade, een organisatie die verkommerde huisgevels opfleurt met planten. 

De IJslanders ging vooralsnog het verst in hun directe democratie, ze schreven een nieuwe grondwet. Nadat het land op de rand van het bankroet stond tijdens de financiële crisis, “was het alsof de IJslanders wakker werden uit een winterslaap”, zegt mensenrechtenadvocaat Katrín Oddsdóttir. In 2012 werden duizend mensen willekeurig geloot om één dag aan de nieuwe grondwet te werken. Vervolgens gingen specialisten aan de slag met dit denkwerk en werd er een grondwetsraad verkozen. In vier maanden was er een nieuwe grondwet, maar tot op heden is die nog niet geratificeerd. Het IJslandse parlement stemde tegen. 

Die verkrampte reactie van het parlement zet de kloof tussen burger en democratie op scherp. Maar het toont even goed hoe de democratie dan wel werkt: de oude en conservatieve Onafhankelijkheidspartij is na herhaaldelijke verkiezingen sinds het burgerproces nog steeds de grootste. Misschien vonden de burgers die bij de nieuwe grondwet betrokken waren het geweldig wat ze deden, maar het deel van de bevolking dat hierbij niet betrokken was, lijkt vooralsnog niet overtuigd. Er gaapt ook een kloof tussen wie wel en wie niet democratisch participeert. 

Giftige paddenstoelen 

Georges Casteur van de Oostendse burgerlijst Recht door Zee vertelt dat het inderdaad niet gemakkelijk is om alle burgers actiever te betrekken: “Het zal altijd maar een minderheid zijn die zijn nek uitsteekt.” Het probleem is dat Stichting Nieuwe Helden de implicaties hiervan voor de nieuwe democratische initiatieven zelf niet kritisch lijkt te bevragen. 

Wie neemt bijvoorbeeld deel aan de directe democratie? Zijn dat niet vooral hoogopgeleide mondige en digitaal vaardige mensen? Leidt dat niet net tot een nieuwe ongelijkheid? Als je een willekeurig geloot burgerparlement samenstelt, hoe zorg je dan dat wie niet deelneemt zich toch betrokken voelt? 

Manu Claeys, van de Antwerpse actiegroep stRaten-generaal, noemt de huidige representatieve democratie “lui, passief en gehandicapt”. Burgers willen meer dan om de vijf jaar kunnen stemmen. Maar hoeveel ‘meer’ is legitiem? Waar halen participatieve enthousiastelingen bijvoorbeeld het mandaat vandaan om de hele gemeentebegroting te beheren? Uit hun enthousiasme? 

Dit is geen uiting van conservatisme of van een radiaal ongeloof in nieuwe democratische mogelijkheden. En al helemaal niet om de impact van burgerinitiatieven te minimaliseren. Zoals Frome en voorbeelden uit de documentaires aantonen, kunnen ze zeer succesvol zijn. Maar, om de klassieke filosoof van de liberale democratie John Stuart Mill te parafraseren: de confrontatie met tegenargumenten dwingt je om je eigen argumenten te versterken en dat komt de waarheid alleen ten goede. Als we echt bezorgd zijn om de toekomst van onze democratie, laten we dan ook de nieuwe initiatieven kritisch benaderen. Er zitten misschien wel giftige paddenstoelen tussen. 

Stichting Nieuwe Helden wil in eerste instantie tonen welke kracht er van burger uitgaat om het heft in eigen handen te geven. Dat optimistisch verhaal stemt tot hoop, maar dat mag ons er niet van weerhouden om zelfkritisch te zijn. 

Identiteit als een work in progress

Over ‘Shiraz, tell me about the revolution?’ 

Vorig jaar konden we Farbod Fathinejadfard zien spelen in If there weren’t any blacks, you’d have to invent them, het regiedebuut van Aurelie di Marino. Dit jaar is hij op TAZ met zijn eigen debuut, een solo getiteld Shiraz, tell me about the revolution? Het is een heel andere voorstelling, maar wat beide producties gemeen hebben, is dat ze illustreren – op een intelligente, complexe manier – hoe discoursen onze identiteit op een dwingende manier beïnvloeden. 

Farbod Fathinejadfard geeft met Shiraz inzage in de wisselwerking tussen ‘discours’ en ‘identiteit’ die zijn leven getekend heeft. Hij toont om te beginnen een zwart scherm, waarop in de vorm van witte ondertitels de vertaling verschijnt van een gesprek dat hij in het Perzisch met zijn moeder en vader voerde. Hij probeert eerst met zijn moeder, dan met zijn vader, het onderwerp van de Iraanse Revolutie aan te snijden. In 1978 werd in Iran de pro-westerse sjah afgezet. De sjah moest plaats maken voor ayatollah Ruhollah Khomeini, die het land herstructureerde tot de Islamitische Republiek. De ouders van Farbod kwamen naar Europa een tijdje na deze revolutie. We horen Farbod aan zijn moeder vragen hoe ze die revolutie beleefd heeft, maar zij doet alleen maar haar uiterste best om hem ofwel de mond te snoeren, ofwel om het gesprek van onderwerp te veranderen. 

Wanneer hij vraagt waarom zij na de revolutie naar Europa is gekomen, zegt zij dat ze aangetrokken werd door de heerlijke chocolade die hier te verkrijgen is, in het bijzonder een Marsreep. De vader wil wel iets meer kwijt over zijn rol op de dag van de revolutie. Het komt erop neer dat hij mee op de kar van de verandering wou springen. De informatie die hij geeft is echter schaars, deels omdat hij telkens onderbroken wordt door de moeder die hem het spreken tracht te verbieden. 

Omdat hij van zijn ouders weinig te weten komt, raadpleegt Farbod het boek Iran. A Modern History van Abbas Amanat. Hij leest er enkele redelijk literair klinkende stukken uit voor. Met deze twee eerste scènes evoceert Farbod pertinente vragen als: hoe verhoudt dit individu zich tot deze geschiedenis? Wat betekent geschiedschrijving voor de natievorming, en dus voor de identiteit van de talloze individuen die er deel van uitmaken? Hoe kijken we naar ons verleden en hoe bepaalt een familiegeschiedenis, inclusief migratie, iemands identiteit? Terwijl het publiek de tijd krijgt om zijn gedachten hierover te laten gaan, wordt het plots opgeschrikt door een smak: een emmer witte verf valt om op de speelvloer, omgestoten door Farbod die enigszins ongemakkelijk staat te staren naar de smeerboel die hij heeft aangericht. Is het een ongelukje of deed hij het opzettelijk? Niemand lijkt het te weten. Niet veel later gaat Farbod onverstoord verder met voorlezen en spelen. 

Op een bepaald moment zien we Farbod van kostuum wisselen. Hij ruilt zijn outfit voor een roze vrouwenslipje en een doek dat hij op verschillende manieren plooit. Eerst ziet hij eruit als een islamitisch hoogwaardigheidsbekleder, later als een vrouw in een hijab. Zijn transformatie suggereert dat hij in dit deel wil spelen met de performativiteit van identiteit. Identiteit, of beter: hoe we iemands identiteit percipiëren, ontstaat vaak in een handeling. We zien hoe Farbod clichés ontwricht. Dat doet hij ook op overtuigende wijze in een volgende scène, waarin hij het publiek confronteert met vragen die hem vaak gesteld worden – zowel door individuen en door officiële instanties. In 2018, op het moment dat Farbod zijn voorstelling maakte, had hij een aanvraag lopen om Belg te worden. Het zijn vragen uit de gesprekken die hij moest voeren. Hier zien we het sterkst hoe een individu wordt gestructureerd door het dominante discours van de inrichtende macht. Indringende vragen zoals ‘Why do you always speak so loud?’ worden afgewisseld met ‘Lust jij graag mayonaise?’. 

Toch zijn de handelingen die Farbod in Shiraz stelt wat mager, achteraf beschouwd, want ze getuigen soms van weinig theatrale verbeelding. De twee luiken van zijn voorstellingen hangen bovendien nogal losjes aaneen, waardoor het moeilijk wordt om een ingang te vinden in dit werk. Dat neemt niet weg dat de verdienste van deze voorstelling ligt in het feit dat ze interessante invalshoeken combineert, en ons prikkelt om over (on)macht, discours, meertaligheid en identiteit na te denken. 

ZEEWIER IS GOED VOOR U

Maar zelfbediening uit de zee is verboden 

Zoals beloofd, nog een Goed Idee uit de Knack-special die Lucas De Man initieerde voor deze editie. Met 100 ideeen voor een betere wereld. Op nummer 31 staat: EET WIER. Als in: produceer zo veel mogelijk lokaal. In het artikel komt Mark Kulsdom aan het woord, een voormalig dierenrechtenactivist die vandaag een hamburgerrestaurant uitbaat in Amsterdam, met hamburgers van zeewier. Nu is zeewier uiteraard niet nieuw als ingrediënt, ook niet tussen een broodje. Het deed ons denken aan een brief van dichter en auteur Maarten Inghels, die vorig jaar was uitgenodigd als spreker op het event Gezocht: voedsel voor de toekomst

LIEFSTE VOEDSEL VAN DE TOEKOMST,
LIEFSTE DUURZAAM OPGEGROEIDE ZALM VAN DE TOEKOMST,
LIEFSTE ZEEWIERBURGER VAN DE TOEKOMST,
LIEFSTE KOMBUCHACOCKTAIL VAN DE TOEKOMST, 

Recent ben ik hevig verliefd geworden op het werk van de Franse filmmaakster Agnès Varda. In haar meesterwerk Les Glaneurs et La Glaneuse gaat Agnès Varda op zoek naar mensen die oogstrestanten op het veld rapen, dumpster divers, scharrelaars, voddenrapers, kortom, mensen die leven van de tafelresten van de maatschappij. We zien Agnès Varda mee aardappelen verzamelen die niet voldoen aan de strenge supermarkteisen. Dat wil zeggen: knotsgekke knollen die groter dan tien centimeter (!) zijn, dan wel kleiner dan vijf centimeter. Tonnen buitenmaatse groenten worden in enorme bergen op akkers gedumpt. 

Wat later wandelt Varda mee met een jonge Michelin-chef die elke ochtend de heuvels inloopt op zoek naar kruiden en fruit, een handvol wildplukkers in uitgedroogde wijngaarden en een man die achtergelaten groenten van de markt opraapt en ’s avonds taalles doceert in het asielcentrum. Want achter elk gezicht zit een veel langer verhaal verscholen. Aan het einde van de film heeft Agnès Varda afdoende aangetoond dat ook zij een glaneuse van gevonden ontmoetingen en gestolen beelden is en smeedt ze de losse eindjes van verhalen aan elkaar. 

Het is eind augustus, en na het bekijken van Les Glaneurs et La Glaneuse loop ik in de avondzon enkele kilometers tussen de gouden akkers, drukbereden door boeren op enorme maaidorsers. Ik ben op weg naar zee, de Golf de Morbihan aan de Bretoense kust. Bij laagtij wemelt het hier van de strandjutters die met kromme rug over het slib gebogen staan. 

Volgens een oude Franse wet heb je het recht om de overblijfselen van oogsten te rapen en voor eigen gebruik aan te wenden of door te verkopen. Volgens een andere oude Franse wet heb je het recht om een emmer oesters en honderd palourdes of kokkels per persoon of gezin te rapen, of grofweg gezegd: zoveel als je in één etmaal kan opeten. Ik herinner mij de oude Franse wet waarbij het is toegestaan om in elk bos brandhout te sprokkelen om in je levensonderhoud te voorzien. Leve oude halfvergeten Franse wetten! 

Ik ga op mijn hurken in de branding zitten en wroet met mijn handen in het zand. Het is de kunst om stenen van kokkels te onderscheiden, en met wat geluk heb je na een uur een dozijn nonnetjes die je thuis met een scheut witte wijn gaar stoomt. Bovendien leerde ik in de workshop ‘Zeewieren’ een alg herkennen die als kort mos onderaan keien groeit en smaakt naar peper, zout en look — die kan mee in de pan. “Une delicatesse,” zei de gids bij elk blad spinazie uit de zee. 

Het spannendst is om met keukenzout langs de piepkleine brievenbusgleufjes in het slijk te lopen. Op elk gaatje strooi ik zout waarna ik wacht tot het weekdier tevoorschijn komt. Na een dertigtal seconden schiet het scheermes als een drietrapsraket uit het gaatje omdat het denkt dat de vloed opkomt: eerst glijdt de zwartroze schelp omhoog, vervolgens verschijnt het lijfje, en als je de beweeglijke asperge met zijn huisje uit de grond trekt, werpt die zijn kopje als een projectiel af. 

Ik heb altijd al een flaneur of een glaneur willen zijn, maar volgens Francis Kerckhof, marien bioloog van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen, ben ik een ‘strandrover’. Nadat twee mensen emmers vol slakken van de golfbreker in Oostende hadden geplukt, laat Kerckhof in De Standaard (13/08/18) optekenen: “We zien het steeds vaker: het massaal wegplukken van wat je in de natuur kunt vinden. Dat gaat van paddenstoelen plukken in het bos tot strandkrabben of schaalhoorns aan onze kust. Het is een beetje een hype: eten wat je vindt in de natuur, topchefs promoten dat al een tijdje. Maar het mag niet. De kust leegroven is even goed stroperij.” 

Het Vlaams Instituut voor de Zee bevestigt de trend en stipuleert dat je volgens de Stedelijke Verordening van de stad Oostende een vergunning van het Vlaamse Gewest nodig hebt om ‘zeeproducten’ mee te nemen. 

Geef mij dan maar een oude Franse wet. 

Maarten Inghels

De volledige brief vindt u op https://www.voedselvoordetoekomst.be/. Zie ook: https://www.inghels.com/

Filmische magie bij VENTILATEUR

Toegegeven: Café Crayon vullen is niet moeilijk, maar voor VENTILATEUR bezette het publiek ook een heel stuk van het terras. Balen voor wie er op zijn gemak een pintje wou drinken, maar ook zij raakten overtuigd door de landschappen die dit Brugse trio schildert: een instrumentale mix van jazz, rock & fusion die melancholisch deed wegdromen, dan weer wervelend om je heen raasde en het moeilijk maakte om stil te blijven staan. VENTILATEUR verspreidt, kortom, een filmische magie. Hoe deze drie muzikanten elkaar opzoeken en scherphouden via improvisaties… Het was een broeierige set die deed verlangen naar meer. 

Vanaf vandaag kun je vier nieuwe bands op TAZ aan het werk zien. Het duo Pompelmoes brengt alternatieve folkpop, met Homegirl krijgen we dromerige maar dansbare synthpop, Jacobin maakt atmosferische soundscapes en BOLT RUIN vuurt duistere elektronische muziek met de energie van hardcore-punk op ons af. Te zien en te horen op verschillende locaties. 

Een guerrilla-performance is nooit gezellig

Over ‘Against the wall’ van Paula Chaves 

We staan in de grote, lege atelierruimte van de Kunstacademie aan Zee. De ramen zijn dichtgeplakt met zwart plastic en in de stellingskasten in de hoek staan de kleiwerken en maquettes van de Kunstacademie opgeborgen. Een groepje jongeren uit het publiek zet zich op de grond, anderen leunen tegen de chauffage of hangen tegen de muur. Plotseling wordt de deur hard dichtgeslagen. Een man in het zwart met een hardroze panty over het hoofd stapt gedecideerd naar binnen. Het is duidelijk: de guerrilla-performance Against the wall wordt niet ‘gezellig’. 

De Colombiaanse choreografe Paula Chaves en performer Nadia Bekkers komen gehelmd en op een grote bakfiets met gele ballonnen binnengereden. Ze rijden door het publiek en laten ons als zwermen angstige vogels door de ruimte bewegen. Chaves duidt ogenschijnlijk willekeurig een aantal mensen aan en wenkt hen om bij een kleine transistorradio neer te knielen. Gedempt klinkt het metalige geluid van een vervormde stem. Een enkeling krijgt een witte envelop met ‘DO NOT OPEN’ erop. Het is ernst. 

We worden achter een zwarte streep op de grond gezet en kijken naar een reeks geprojecteerde beelden: van oorlogsvideo’s tot artikelen over feminisme. Het is een associatieve beeldenstroom over kunst, propaganda en het neoliberalisme in het Westen. Hoe verhouden die onderwerpen zich tot elkaar? Dat is de vraag die de twee vrouwen, samen met filmmaker Winston Nanlohy, zich in deze voorstelling stellen. 

Het publiek wordt gevraagd om het antwoord op de vraag ‘How did art liberate the world?’ op één van de ballonnen te schrijven en ermee naar elkaar te gooien. Terwijl de strenge dame in de hoek zich ontpopt tot een guitig meisje dat de ballon koste wat het kost omhoog wil houden, slaat de norse man aan de chauffage het tafereel vanop een afstand gade. De antwoorden op de vraag blijken uiteenlopend: ‘freedom of thought’ staat er op de ene ballon, ‘the power of imagination’ op de andere; een gedesillusioneerd ‘it has not’ staat op een derde ballon te lezen. 

Against the wall is een sociaal spel met het publiek. Het wordt opgejaagd, dan weer nieuwsgierig gemaakt of kritisch bevraagd. Het wordt stil als Chaves in een klimtuigje tegen de muur naar boven klimt. In de geprojecteerde beelden begint ze een dans. Ze zet zich af van de muur, laat zich draaien en spinnen en slaat weer tegen de muur. Gaandeweg begint ze sneller te lopen, hoger te slingeren en zich harder af te zetten. Haar bewegingen worden steeds krachtiger. Vervaarlijk beweegt ze zich nu over de geprojecteerde beelden heen. Met de veerkracht van een strijd die nog maar pas begonnen is. Want dat is het: Paula Chaves, Nadia Bekkers en Winston Nanlohy maakten een politiek manifest waarin journalistiek, activisme en dans met elkaar verbonden zijn. Het is niet ‘gezellig’, omdat sommige dingen nu eenmaal niet onderhandelbaar zijn. Kunst mag ook gevaarlijk zijn. En dat is Against the wall

HET IS AAN… Emma Lesuis

HET IS AAN… EMMA LESUIS

“Alles voor de kunst.” Ze zegt het alsof de zin al is voorgevormd in haar mond. In haar hand een Dark ‘n Carly, om haar nek een KBC-koordje. De rode konen verraden dat het een lange dag is geweest. Net zoals gisteren, de dagen daarvoor en de dagen die zullen komen. Haar naam is Eva en ze is voor het eerst vrijwilliger op TAZ. Een maand lang. En niet zomaar een: de net afgestudeerde Theaterwetenschapper is productieverantwoordelijke bij de literaire programma’s. Hard werken. Slim. Sociaal. De functie past de Gentse zoals de Dark ‘n Carly past op dit moment. “Vrijwillig?!” Muziekkunstenaar Michelle Samba is net aangekomen uit Groningen en staat met een lege Berry Rumble in haar hand. Eva knikt alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. “Iedereen, he. Maar allez, ik krijg wel betaald, hoor. Vijfentwintig euro per dag.” Michelle blijft stil. Roert haar rietje door de resterende ijsblokjes en slurpt de laatste restjes framboos op. “Die is goe, he!” Een bekende van Eva komt aangewaaid en wijst naar Carly. Opgewonden pingpongt ze met Eva over vrij-willigen. Ze doet de techniek, in het weekend, doordeweeks gewoon werken… “Eigenlijk zijn jullie op kamp,” breek ik in. Ze lachen. Niet uitlachen, nee een oprechte lach. “Inderdaad. Het is een soort van kamp.” Ze glunderen. Ik denk aan de scoutscultuur van België. In die rode konen zitten sfeer, verbondenheid en liefde verstopt. Wat een neoliberale gedachte om arbeid altijd maar in te wisselen voor munten. Samen straffe herinneringen maken aan de kust. Weet je nog? Toen we die ene Carly te veel dronken? Het is tijd voor Eva’s sigaret. “Morgenochtend neem ik koeken mee,” knipoogt ze. “Ben je gek,” zeg ik. “Jawel, ik doe toch de productie?” Alles voor de kunst.

Illustratie: Janice Feryn