ZEEWIER IS GOED VOOR U

Maar zelfbediening uit de zee is verboden 

Zoals beloofd, nog een Goed Idee uit de Knack-special die Lucas De Man initieerde voor deze editie. Met 100 ideeen voor een betere wereld. Op nummer 31 staat: EET WIER. Als in: produceer zo veel mogelijk lokaal. In het artikel komt Mark Kulsdom aan het woord, een voormalig dierenrechtenactivist die vandaag een hamburgerrestaurant uitbaat in Amsterdam, met hamburgers van zeewier. Nu is zeewier uiteraard niet nieuw als ingrediënt, ook niet tussen een broodje. Het deed ons denken aan een brief van dichter en auteur Maarten Inghels, die vorig jaar was uitgenodigd als spreker op het event Gezocht: voedsel voor de toekomst

LIEFSTE VOEDSEL VAN DE TOEKOMST,
LIEFSTE DUURZAAM OPGEGROEIDE ZALM VAN DE TOEKOMST,
LIEFSTE ZEEWIERBURGER VAN DE TOEKOMST,
LIEFSTE KOMBUCHACOCKTAIL VAN DE TOEKOMST, 

Recent ben ik hevig verliefd geworden op het werk van de Franse filmmaakster Agnès Varda. In haar meesterwerk Les Glaneurs et La Glaneuse gaat Agnès Varda op zoek naar mensen die oogstrestanten op het veld rapen, dumpster divers, scharrelaars, voddenrapers, kortom, mensen die leven van de tafelresten van de maatschappij. We zien Agnès Varda mee aardappelen verzamelen die niet voldoen aan de strenge supermarkteisen. Dat wil zeggen: knotsgekke knollen die groter dan tien centimeter (!) zijn, dan wel kleiner dan vijf centimeter. Tonnen buitenmaatse groenten worden in enorme bergen op akkers gedumpt. 

Wat later wandelt Varda mee met een jonge Michelin-chef die elke ochtend de heuvels inloopt op zoek naar kruiden en fruit, een handvol wildplukkers in uitgedroogde wijngaarden en een man die achtergelaten groenten van de markt opraapt en ’s avonds taalles doceert in het asielcentrum. Want achter elk gezicht zit een veel langer verhaal verscholen. Aan het einde van de film heeft Agnès Varda afdoende aangetoond dat ook zij een glaneuse van gevonden ontmoetingen en gestolen beelden is en smeedt ze de losse eindjes van verhalen aan elkaar. 

Het is eind augustus, en na het bekijken van Les Glaneurs et La Glaneuse loop ik in de avondzon enkele kilometers tussen de gouden akkers, drukbereden door boeren op enorme maaidorsers. Ik ben op weg naar zee, de Golf de Morbihan aan de Bretoense kust. Bij laagtij wemelt het hier van de strandjutters die met kromme rug over het slib gebogen staan. 

Volgens een oude Franse wet heb je het recht om de overblijfselen van oogsten te rapen en voor eigen gebruik aan te wenden of door te verkopen. Volgens een andere oude Franse wet heb je het recht om een emmer oesters en honderd palourdes of kokkels per persoon of gezin te rapen, of grofweg gezegd: zoveel als je in één etmaal kan opeten. Ik herinner mij de oude Franse wet waarbij het is toegestaan om in elk bos brandhout te sprokkelen om in je levensonderhoud te voorzien. Leve oude halfvergeten Franse wetten! 

Ik ga op mijn hurken in de branding zitten en wroet met mijn handen in het zand. Het is de kunst om stenen van kokkels te onderscheiden, en met wat geluk heb je na een uur een dozijn nonnetjes die je thuis met een scheut witte wijn gaar stoomt. Bovendien leerde ik in de workshop ‘Zeewieren’ een alg herkennen die als kort mos onderaan keien groeit en smaakt naar peper, zout en look — die kan mee in de pan. “Une delicatesse,” zei de gids bij elk blad spinazie uit de zee. 

Het spannendst is om met keukenzout langs de piepkleine brievenbusgleufjes in het slijk te lopen. Op elk gaatje strooi ik zout waarna ik wacht tot het weekdier tevoorschijn komt. Na een dertigtal seconden schiet het scheermes als een drietrapsraket uit het gaatje omdat het denkt dat de vloed opkomt: eerst glijdt de zwartroze schelp omhoog, vervolgens verschijnt het lijfje, en als je de beweeglijke asperge met zijn huisje uit de grond trekt, werpt die zijn kopje als een projectiel af. 

Ik heb altijd al een flaneur of een glaneur willen zijn, maar volgens Francis Kerckhof, marien bioloog van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen, ben ik een ‘strandrover’. Nadat twee mensen emmers vol slakken van de golfbreker in Oostende hadden geplukt, laat Kerckhof in De Standaard (13/08/18) optekenen: “We zien het steeds vaker: het massaal wegplukken van wat je in de natuur kunt vinden. Dat gaat van paddenstoelen plukken in het bos tot strandkrabben of schaalhoorns aan onze kust. Het is een beetje een hype: eten wat je vindt in de natuur, topchefs promoten dat al een tijdje. Maar het mag niet. De kust leegroven is even goed stroperij.” 

Het Vlaams Instituut voor de Zee bevestigt de trend en stipuleert dat je volgens de Stedelijke Verordening van de stad Oostende een vergunning van het Vlaamse Gewest nodig hebt om ‘zeeproducten’ mee te nemen. 

Geef mij dan maar een oude Franse wet. 

Maarten Inghels

De volledige brief vindt u op https://www.voedselvoordetoekomst.be/. Zie ook: https://www.inghels.com/

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.