De harmonie van oud en nieuw

Eric Sleichim over het concert ‘Stylus Fantasticus’ 

Componist Eric Sleichim zit op een zonovergoten terras een burrata met gegrilde groenten te eten. Ik herken hem niet meteen achter zijn grote zwarte zonnebril. Die is dan nog hoogstnodig, maar de schaduw zal onze tafel helemaal overgenomen hebben als ik twee-en-een-half uur later afscheid neem na een privaat mastercollege ‘Vroege barokmuziek en saxofoonarrangementen’. 

Schizofreen 

Vorig jaar vierden de saxofonen van Bl!ndman hun dertigste verjaardag. Oprichter Eric Sleichim begon in 1988 in de eerste plaats een zoektocht naar nieuwe klanken en speelmethoden voor de saxofoon. Hun programma bestond uit uitdagende hedendaagse muziek. “Ik ben verliefd geworden op de saxofoon dankzij de jazzmuziek,” zegt hij. “John Coltrane, Charlie Parker… Zij hebben een eigen stem heb. De saxofoon ligt zo dicht bij de menselijke stem dat het net zo persoonlijk wordt.” 

Een klassiek repertoire zwoer hij dan nog radicaal af. Hij behoort tot de generatie van Tachtigers, zoals Anne Teresa De Keersmaeker, Jan Fabre, Ivo Van Hove – met wie hij allemaal samenwerkte. Of beter: “het kot wilde afbreken”, zoals hij dat ooit noemde. “Ik hield van Bach en ik hield van sax, maar je moet dat niet vermengen, dacht ik. Voor mij belichtte het klassieke repertoire de saxofoon op een verkeerde manier. Ik hield van het schizofrene karakter ervan: qua morfologie is het een koperblazer, maar qua speelprincipe een houtblazer. Maar klassieke componisten willen de sax integreren in een orkest en verliezen zo dat persoonlijke stemgeluid.” 

‘Wij hadden een gelijkaardige openbaring als de monniken die engelen hoorden’ 

Sinds een aantal jaren is dat helemaal anders. “Na al het hedendaagse werk dat wij maakten, begonnen we de voeling te verliezen met de basisharmonie. Daarvoor is klassiek materiaal nodig. We begonnen daarom de koralen (kerkliederen, red.) van Bach te oefenen tijdens repetities. Die zijn op het zicht te lezen en ze zijn vierstemmig zoals een saxofoonkwartet.” 

In een interview lang geleden, nog voor de klassieke arrangementen, noemde je die oefeningen ‘helend’. Hoe bedoelde je dat? 

“Hedendaagse muziek is geweldig complex, zowel om naar te luisteren als om te spelen. Het gaat niet meer om tonale thema’s, maar om structuren en geluidsfrequenties. Als kwartet vorm je geen harmonieus geheel meer waarbij iemand een grondtoon, een ander een terts, een derde een kwint en de laatste een octaaf speelt. Wat je speelt, herkent het gehoor niet meer als een harmonie. Een legende gaat dat de monniken in de middeleeuwen octaven zongen tot iemand zich vergiste en in plaats van een octaaf een kwint zong. Plots hoorden ze andere stemmen, de engelen zogezegd. Waar of niet, wij hadden een gelijkaardige openbaring toen we de koralen oefenden. Het is echt een menselijke genoegdoening om die harmonie te bereiken.” 

Dj’en met de renaissance 

Die oefeningen begon het kwartet ook bij wijze van opwarming voor concerten te spelen. Organisatoren vroegen dan vaak of ze dat ook op het concert zouden spelen, goed wetende dat ze een hedendaags programma hadden. “Toen heb ik ook beseft dat die oude muziek dankzij de saxofoon een moderne perceptie kreeg. Dat was echt een geschenk voor de carrière van Bl!ndman.” 

Eric Sleichim © Niko Caignie

“Toen ging ik op zoek naar andere muziek en ontdekte de eerste polyfone muziek uit de tiende en elfde eeuw. Dat speel je nooit op het conservatorium, maar ik vond dat ongelooflijk modern klinken. Ik ging het combineren met elektronica en hedendaagse muziek en het publiek wist vaak niet wat nu de oude en de nieuwe muziek was. Ik vond het belangrijk om te doen, zowel voor de saxofoon als voor de muziek in het algemeen. Het was niet alleen een volledig nieuw repertoire voor de sax, maar ook een manier om een groter publiek voor hedendaagse muziek aan te boren.” 

Bevat het programma voor Stylus Fantasticus, de naam voor een zeer vrije speelvorm in de vroege barok, daarom – naast barokcomponisten als Bach en Buxtehude – ook hedendaagse muziek van Arvo Pärt en een bewerking van de zestiende-eeuwse renaissancecomponist Carlo Gesualdo? 

Stylus fantasticus is eigenlijk een verzamelnaam voor componisten die zich vanaf de zestiende eeuw hebben gepermitteerd om volledig vrij te spelen. Zonder thema, melodie of structuur. Net zoals jazzimprovisaties vandaag – alleen leiden die zelden tot composities. Dat heb ik altijd jammer gevonden.” 

“Je zou kunnen zeggen dat Dietrich Buxtehude (1637-1707) de climax van die beweging was. De jonge Bach wandelde zelfs van Arnstadt in Thüringen naar Lübeck in Noord-Duitsland om hem te horen spelen, ook al moest hij daarvoor spijbelen bij de kerk waar hij organist was. De traditie was dat de opvolger van de organist ook met zijn dochter trouwt, maar nadat Bach Buxtehudes dochter had gezien, zou hij toch zijn teruggekeerd. Van Buxtehudes orgelimprovisaties val je omver, dat is bijna free jazz.” 

“Gesualdo (1566-1613) zou je dan weer kunnen beschouwen als het begin van de stylus fantasticus. Hij staat aan de basis van die vrije muzikale attitude. Hij is tot het uiterste gegaan van de toen gehanteerde muziekregels in de modale muziek (volgens ‘modi’ of wijzen om hele en halve tonen te ordenen, red.). Hij respecteerde niet dat een thema neerdaalt op een vertrouwde toon en neemt een je mee naar oorden die je jezelf niet kan inbeelden. Alle grote componisten hebben regels aan hun laars gelapt en dat alleen maakt van jou geen grote componist, maar het is wel nodig om anders te gaan denken.” 

Bij Buxtehude speelt Sleichim tubax, een soort kleine contrabassaxofoon voor de lage tonen van het orgel – “heel je lichaam trilt mee, je maakt deel uit van de klankkast’ – maar bij Gesualdo bespeelt hij de elektronica. “Ongeveer drie jaar geleden dirigeerde Philippe Herreweghe het zesde madrigalenboek van Gesualdo op Collegium Vocale in Gent en ik kwam dronken uit dat concert. Daarop heb ik gevraagd of ik de opnames mocht gebruiken zoals in de stylus fantasticus. Ik heb een aantal madrigalen versneden en die ga ik ter plekke herorganiseren met elektronica. Onrespectvol gezegd: ik ga dj’en.” 

‘De laatste avond ga ik naar boven, mijn bonnetjes opdrinken’

TAZ achter de schermen: in de keuken 

We geven het weinig kans, maar had u een idee dat de maaltijden die u hier op TAZ met smaak naar binnen speelt, worden bereid door: mensen die op Wimbledon hebben gestaan? Backpackers met een voorliefde voor het Midden-Oosten? Werkenden die hun vakantie misbruiken om nog méér te werken? Wij weten het ook nu pas. En waren blij dat we even bij het clubje mochten horen. 

“Dit hier he, juffrouw, je pakt dat met de kop en je trekt dat naar beneden. Je moet het niet moeilijk maken als het ook gemakkelijk kan he.” Geen instructies bij het garnalen pellen, maar bij het prepareren van een kom muntblaadjes. Ik draai een shift mee in de keuken van TAZ. Het is te zeggen: zo had ik het aangebracht bij chef Philippe. Hoe lang ik dan precies wou meehelpen? Ik: “Een uurtje of zo?” Hij moest eens lachen. 

Ze werken hier in shifts van zes uur, met vier ploegen die elkaar aflossen. De meeste helpers in het team kennen elkaar al langer. “Hanna, hoeveel jaar werk jij hier al? Vier?” vraagt Daniel, de tweede in bevel. “Bij Colette is het de vijfde keer, An is hier ook al voor het derde jaar. Nadine, Veerle en Jetje zijn nieuw. Waar die toffe sfeer vandaan komt waar iedereen het over heeft? De meesten hier zijn vrijwilligers. Die zijn doorgaans echt gemotiveerd. En er wordt hier niet geroepen en getierd.” 

“Colette, die moet je pas als laatste geven, eerst die andere!” gebaart hij tussendoor. En in een andere richting: “Fijnsnijden? Nee, dat mag er zo bij.” En: “Heb je dat goed gemengd? Beetje peper en zout bij gedaan?” Daniel is hier al voor het tiende jaar. Voordien gaf hij twintig jaar les aan koks in spe. “Ik ken mijn stiel, om het zo te zeggen. Waarom ik dit ben beginnen doen? Als je lesgeeft ben je veel thuis. En ik heb geen zittend gat. Trouwens, Jean, mon petit frère préféré daar, heeft ook een schone beroepscarrière gehad als kok. Heeft hij je verteld dat we samen nog op Wimbledon hebben gestaan? Afin, wel toen het veld leeg was. Voor de catering tijdens het tornooi, lang geleden.” 

© Marcia van der Zwan

Jean grinnikt en wuift iets weg. Daarover heeft hij het niet gehad. Ik weet intussen wel dat hij nog in het eerste groepje van Arno heeft gespeeld. En dat hij net als zijn broer met pensioen is. “Maar aan hem kan je dat zien he. Ach ja, waarom ben ik hier? Ik móet hier gewoon zijn. Voor mij is het een routine geworden tijdens de zomer.” Voor Jean ís TAZ de keuken. Voorstellingen kijken, zit er na een lange dag niet meer in. Direct na de job gaat hij naar huis, “Behalve de laatste dag. Dan ga ik naar boven. Mijn bonnetjes opdrinken. (lacht)” 

Dat het zwaar is, weet iedereen me wel te vertellen. “Ik had het een beetje onderschat,” zegt Jet. Zes uur rechtstaan is ook niet evident als je 65 bent. Ik ben hier vooral voor het sociaal gebeuren. Ik ben alleen en wilde wat te doen hebben onder de vakantie. Het is hier gezellig. ’s Avonds schuiven we nog samen aan tafel. Of ik dan content ben met wat ik eet? Zeker! Het is lekker. Ik denk dat ik nog nooit zo gezond gegeten heb als deze week, voor mezelf maak ik die dingen niet klaar.” 

“Hoe fijn moet dat?” vraagt ze als Philippe de snijtafel langsgaat. “Een beetje fijner als het kan. Kruiden die fijn gesneden zijn, zijn altijd lekkerder in de mond.” De chef-kok was ooit ergotherapeut. “Ik heb lang in sociale werkplaatsen gewerkt. In 2000 ben ik gaan fietsen in het Midden-Oosten. De keuken daar is heel lekker, avontuurlijk en plezant. Dat heeft mij getriggerd. Toen ik weer thuis was, wou ik gaan koken.” 

“Weet je wat ze in Syrië doen?” vervolgt hij met passie. “Daar halen ze kebab door de molen, mengen er lekkere kruiden door en doen er allerlei groenten en bijgerechtjes bij. Zo willen we hier eigenlijk ook werken: met kleine gerechtjes die samen maken dat je een mooi bordje krijgt. Allemaal vers, zelf verwerkt. Tiens, het valt me net op dat we vanmiddag geen Syriërs in de ploeg hebben. Die komen straks nog.” 

Het Oostends is inderdaad niet de enige taal in het team. Hanna komt uit Antwerpen. “Ik weet intussen dat een teusje een drankje is en een seule een emmer. De stad begin ik ook wat te kennen. Straks ga ik naar het strand, of wat shoppen. Of ik ga naar de vismijn wat garnaaltjes halen. Ik probeer er ook echt wat vakantie van te maken. Het restaurant waar ik werk, is drie weken gesloten. Dan kom ik hier maar wat koken, ik doe dat graag, voor mij is dat niet werken.” 

Zes weken thuis is ook voor Brigitte te lang. Ze komt hier samen met haar dochter, haar zus Veronique en haar schoonbroer de afwas doen. “Je bent bij de mensen, je bent bezig. Het is hier één grote familie. Je krijgt hier ook veel respect voor het werk dat je doet,” vult Veronique aan. “Mensen bedanken je voor je werk als ze passeren. Die waardering doet wel deugd.” 

Het stapeltje vuile kookpotten wordt intussen hoger, het buffet raakt gevuld, de stress stijgt. Veerle – die vorig jaar gewoon iets kwam drinken in de Koer en toen dacht: ik doe mee – heeft na een paar minuutjes geen tijd meer voor mij. “Ik ga voortdoen!” Dadelijk schuift 450 man aan voor de middaglunch. Vanavond staat er Oosterse kip op het menu. Heerlijk. Met muntblaadjes gepeld door ondergetekende.

Inpluggen op de kabel

TAZ by night: een handleiding

Voor wie geen (schandalig vroege) laatste trein naar een ongetwijfeld niet minder interessant elders moet halen, of wie – om gelijk welke andere reden – om ‘iets voor middernacht’ geen assepoestertje hoeft te doen, rolt Theater Aan Zee elke nacht haar beloken charmes uit. Ons door het zonlicht gevoede schuchterheid maakt dan gewillig plaats voor warmbloedige ontboezemingen, beduidend meer fysiek contact en danspasjes waarbij al menig glazen muiltje werd gebroken. 

Waar het dagprogramma van TAZ soms aan Netflix doet denken — een ondoorgrondelijk groot aanbod waarvan je nooit alle recommended for you’s kunt meepikken en waarin iedereen zijn of haar eigen parcours moet bewandelen — is het nachtprogramma van TAZ eerder het equivalent van heerlijk ouderwetse en onvermoeid analoge kabeltelevisie: de draad erin, en weg ermee. U houdt niet van keuzestress, stelt de collectieve ervaring boven het individueel beleefde genot en heeft heimwee naar de hoogdagen van BRT 1 en 2? Welaan, dan is TAZ by night zeker en vast uw meug

Het principe is simpel: alles begint gezapig op Café Koer, goed voorzien van geelbruine tinten en schuimend bier, tot — nostalgie! — de al dan niet bebaarde waard rond 2 uur hyperlokale tijd met zijn of haar bel schudt om de last call aan te kondigen. Vanaf dat moment zapt de massa mondjesmaat naar De Grote Post, alwaar het echte feest kan beginnen. Niet toevallig prijken daar de letters PTT op de gevel: sommigen beweren dat die refereren aan het ministerie van Post, Telegraaf en Telefonie dat daar vroeger gehuisvest was, maar ik hoef u er uiteraard niet van te overtuigen dat dit in werkelijkheid een initiaalwoord betreft dat staat voor Party ‘Till Tomorrow

Eenmaal binnen wordt u ontvangen door Jan Ducheyne, TAZ’ hoogsteigen Hades, of één van zijn getalenteerde gezanten. Ze draaien plaatjes tot het ochtendgloren en de mensen: die dansen. Ze dansen alsof hun leven ervan afhangt. Boven hen hangt een grote klok die ongenadig voorttikt maar in de kopkes staat de tijd stil. Het is bon ton om even later met een dik aangezette verwondering dan wel verontwaardiging te zeggen: “Tiens, ’t is al 5 uur, ik dacht dat we nog maar een halfuurtje binnen waren!” En met dit citaat trapt u het af, schijnbaar nonchalant, als in een goeie western, richting bed of station, om de (schandalig vroege) eerste trein naar een ongetwijfeld niet minder interessant elders te halen. 

Tenzij u toch ook nog even het nachtleven buiten de TAZ-bubbel wilt ontdekken, hetgeen ik u ten zeerste kan aanbevelen. Oostende kent een rijke uitgaansgeschiedenis en de Langestraat is natuurlijk legendarisch — er is zoveel meer dan louter de Lafayette. Vijf uur is een goed uur voor een dandyeske stroll langs, bijvoorbeeld, de Twilight en de Spanish Inn, die dan ‘nog net wel’ of ‘net niet meer’ open zijn. Het leven is één grote verrassing en beide cafés zijn op hun best als het sluitingsuur nadert of — God verhoede! — overschreden wordt. 

Uiteindelijk zal alles eindigen bij waar het ooit begon: het water. Niets is constructiever dan lang na zonsopgang op het strand naar het tij te kijken met een fles Evian in de hand om de kater van morgen te bezweren. Er passeert een Antwerpenaar in onderbroek met wie u ‘Your Song’ van Elton John begint te zingen. Zomaar, zonder oefening. Deze is voor jou, man-wiens-naam-geloof-ik-Vincent-was-en-die-ik-wellicht-nooit-meer-zal-ontmoeten: “I hope you don’t mind; I hope you don’t mind, that I put down in words… How wonderful life is while you’re in the world.”

Jong Muziek: de liefde blijkt wederzijds

Wanneer Pompelmoes hun eerste nummer a capella inzet, had de binnenkoer van het Fort Napoleon evengoed die van een oude abdij kunnen zijn. Het spel van hun twee stemmen heeft bijna iets sacraals. Samen, maar ook apart, kunnen ze vocaal het hele spectrum aan. Het is een bijzonder duo: Tara Pasveer woont in Londen, Viktor Perdieus in Gent. Ze zien elkaar maar af en toe om dan heel intens te repeteren. Beide spelen ze verschillende instrumenten: retro keyboards, drums, banjo, saxofoon, xylofoon en zelfs een drinkfles worden ingezet. 

Even verschillend zijn hun nummers: van de wondermooie, feeërieke samenzang in het openingsnummer gaan ze naar elektronische folk-pop met een aanstekelijke cadans. In hun teksten zit het verlangen naar vrijheid. De falset en het saxofoonspel van Perdieus raken diep, de zang van Pasveer ontwapent. Ook hun enthousiasme overtuigt. Hier en daar loopt er iets mis, maar dat lijkt hun plezier alleen maar te vergroten. Speels en komisch, het publiek hebben ze op hun hand. De liefde blijkt wederzijds: “Fijn, zo’n luisterend publiek. We hebben nog nooit voor zoveel mensen gespeeld.” Fingers crossed dat nog velen na ons de frisse songs van Pompelmoes mogen horen! 

Bedachtzaam en intrigerend 

Of we nog wat dichter willen komen? In een halve cirkel zitten we op het stationsplein rond Jacobin – hijzelf zit in kleermakerszit voor zijn loopstation en sample pads. Met junglegeluiden van apen en vogels trekt de producer/mixer ons zijn wereld binnen. Twee werkelijkheden ontstaan zo parallel naast elkaar: de drukte van rollende trolleys, taterende toeristen en het alarmsignaal van een brug versus het eiland in de nacht dat Jacobin creëert. Het geluid van de meeuwen boven ons kan in beide werelden bestaan. Na een tijdje spoelt het gitaarspel over de samples en loops heen en haalt het af en toe rauw uit. Het heeft iets meditatief. 

Wanneer wat verderop een groepje op een djembé begint te spelen, gaat de omgeving van het stationsplein wel erg overheersen. Knap hoe Jacobin het niet aan zijn hart laat komen en zijn wereld verder blijft opbouwen. Bedachtzaam, intiem, intrigerend. Laat u vooral eens meevoeren. 

Onder elk deksel kookt een stinkend potje

Over ‘Who’s Afraid of Virginia Woolf’ (Jong Werk) 

In het Vlaamse theaterlandschap tiert het welig aan Edward Albee’s klassieke drama Who’s Afraid of Virginia Woolf?. De Koe herneemt haar versie uit 2005 dit jaar opnieuw op TAZ. Mesut Arslan, Platform 0090 & KVS tonen dit najaar eveneens een bewerking van het drama. Ook het Amsterdamse toneelgezelschap Dood Paard bracht haar interpretatie van Who’s Afraid uit 2013 met vers geweld op de planken. En dan zijn er nog jonge ganzen Imke Mol, Naomi van der Horst, Flor Van Severen, Mitch Van Landeghem die zich aan dit stuk wagen. Wat is toch de aantrekkingskracht van deze dramatekst op – zowel jonge als oudere, meer gevestigde – theatermakers? En waarom laat de versie van het jonge kwartet zo’n indruk na? 

Edward Elbee schreef Who’s Afraid of Virginia Woolf? in 1962. Met zijn stuk beoogde hij kritiek te leveren op de American Dream: het ideaalbeeld van een doorsnee doch gelukkig en tamelijk welvarend middle class gezinnetje, woonachtig in de suburbs. In dit duistere psychologische drama wordt namelijk een koppel opgevoerd dat compleet dysfunctioneel is. Het stuk bestrijkt de tijdsduur van één nacht en speelt zich uitsluitend binnenshuis af. Het koppel, Martha en George, is aan het begin van het stuk verwikkeld in een schijnbaar banale discussie. Vandaaruit ontspint zich een steeds giftiger wordend gesprek, een strijd op leven en dood bijna, waarin alle illusies aan stukken gereten worden. George en Martha nodigen een jonger koppel bij hen uit. Vers vlees om hun getreiter op uit te testen. Enkele uren van tevoren leerden ze Nick en Honey kennen op een personeelsfeestje van de universiteit waar de beide mannen tewerkgesteld zijn. Het nietsvermoedende koppel wordt in de loop van de avond gereduceerd tot de speelbal van George en Martha’s perverse spelletjes. 

Van Severen en Mol spelen de rollen van George en Martha en Van Landeghem en van der Horst die van Nick en Honey. De publiekstribunes staat in een vierkant rond het speelveld. We bevinden ons ergens in een sportzaal, waardoor het lijkt alsof we getuige zijn van een repetitieproces – daar wijzen ook de joggingbroeken op waarin de spelers gehuld zijn. Het is daarenboven de indruk die Van Severen en Mol wekken met de openingsscène. Mol kan maar niet op de titel van een film komen. Ze geeft van Severen allemaal hints en clous maar kan op geen enkele naam komen. Wie bekend is met het verhaal van Who’s Afraid, weet echter dat Mol het eigenlijk heeft over een verfilming van dit verhaal zelf, waardoor je begrijpt dat dit een subtiel parodiërend ingreepje is in de originele tekst. Daardoor lijkt het alsof Van Severen en Mol deze discussie als zichzelf voeren, niet in hun hoedanigheid als George en Martha. Pas na een tijdje veranderen zij van onderwerp en wordt duidelijk dat ze geleidelijk aan in die rollen gegleden zijn. Met deze ingreep wordt meteen de toon gezet van deze interpretatie: de schoonheid en sterkte zitten hem in de opbouw en in de subtiliteit. 

Who’s Afraid is namelijk een stuk dat zodanig is opgebouwd dat het de ene illusie na de andere afpelt. De hypocrisie, of ook wel de leugens die deze koppels samenhouden worden één voor één blootgelegd in de sadistische spelletjes waarmee ze elkaar op de kast proberen te jagen. Zo priemt Martha bijvoorbeeld tijdens het spelletje ‘Humiliate the Guest’ dat George een roman geschreven zou hebben waarin hij het verhaal vertelt over een jongen die zijn ouders heeft vermoord. Even later insinueert ze dat deze roman autobiografisch is. Deze opbouw en afbraak van illusies wordt weerspiegeld in de opstelling van de tribune, de kostuumwissels en de duur van de voorstelling. Mol, van der Horst, Van Severen en Van Landeghem hebben dit stuk namelijk zodanig geconstrueerd dat zij na verloop van tijd steeds overtuigender in hun rol belanden. Dat doen ze onder andere door hun joggings geleidelijk aan in te ruilen voor kostuums die beter bij hun personage passen en zo een timing neer te zetten die erop gericht is slechts traag te verglijden van werkelijkheid naar fictie, van illusie naar desillusie. Dat doen ze ook door zich te verkleden achter de tribune en zo een extra laag te creëren die draait om het onzichtbare zichtbaar maken en omgekeerd. 

Dit is werkelijk intelligent theater. Subtiel en sterk spelerstheater. De aantrekkingskracht van dit stuk bestaat er vooral uit dat de thematiek van mensen die bepaalde illusies proberen in stand te houden om aan een maatschappelijk ideaal te kunnen voldoen nooit uitgeput raakt. Onder het deksel van het klassieke gelukkige gezinnetje is vaak een stinkend potje aan het koken. Het feit dat deze jongeren deze thematiek zo goed begrepen hebben en dat in alle segmenten van hun spel, publieksopstelling – tot zelfs in het gebruik van attributen – hebben doorgetrokken, pleit voor hen. Benieuwd of de meer gevestigde garde met hun interpretatie van het stuk even ver kan springen. 

Hoe kaap je de goede hoop?

Drie lessen uit de ‘Avonden van Hoop’ 

‘Do we participate in a politics of cynicism or a politics of hope? (…) I’m not talking about blind optimism here (…). I’m talking about something more substantial. (…) It’s the hope of slaves sitting around a fire singing freedom songs, the hope of immigrants setting out for distant shores. (…) Hope in the face of difficulty. Hope in the face of uncertainty. The audacity of hope!’ 

Barack Obama beroerde de Verenigde Staten en de wereld toen hij in 2004 deze toespraak gaf. Sindsdien lijkt het alsof er van die dappere hoop nog maar weinig overblijft. “I don’t want you to be hopeful. I want you to panic,” sprak Greta Thunberg voor wereldleiders in Davos. Heeft de hoop in onze tijd van klimaatcrisis, globale ongelijkheid en populisme afgedaan? 

Vijf avonden lang nodigde curator Lucas De Man daarom telkens een theatergezelschap uit om een Avond van Hoop vorm te geven. Wij voeren erop uit om te kijken hoe Het Zuidelijk Toneel, Jong Gewei, ARSENAAL/LAZARUS & Nieuw Utrechts Toneel (NUT), Het nieuwstedelijk en Victoria Deluxe/Kopergietery hoop wilden opwekken en trokken drie lessen. 

Les 1: De jeugd ziet het somber in (maar is strijdvaardig) 

Twee avonden stonden in het teken van de jeugd. Jong Gewei, de jongerenwerking van het Gentse gezelschap Kloppend Hert, en de samenwerking tussen Victoria Deluxe, de Kopergietery en Eden-Charleroi creëerden beide een avond die ontstond uit pessimisme over ons tijdsgewricht. De uitdagingen zijn zo groot, de vooruitgang zo klein en de weerstand zo star dat hoop een wel erg naïeve houding lijkt. 

“Onze jonge spelers uit Gent, Brussel en Charleroi zijn vaak in moeilijke omstandigheden opgegroeid en ervaren zware discriminatie en ruw racisme als een dagelijkse realiteit,” duidt Dominique Willaert, artistiek leider van sociaal-artistieke werkplek Victoria Deluxe. Op scène vertelt de jonge Christian Makuta in plat West-Vlaams hoe hij naar de supermarkt in Poperinge gaat om een verjaardagstaart voor zijn moeder te kopen. Wanneer een oudere vrouw haar portefeuille niet meer vindt, beschuldigt ze meteen hem. Niemand die eraan twijfelt, ook de politie niet, die hem agressief verplicht zich uit te kleden. Als uiteindelijk blijkt dat de vergeetachtige dame haar portefeuille in de auto was vergeten, is er schaamte, maar geen verontschuldiging. 

Het is een scène die allesbehalve hoopvol stemt. Hoe vaak zijn we ons niet bewust van een probleem, maar moeten we vaststellen dat een collectief bewustzijn of een breed gedragen oplossing nog decennia op zich zal laten wachten? Het maakt hoopvol zijn tot een kwetsbaar en naïef gevoel. “De jongeren beleven een donkere tijd,” gaat Willaert verder. “Ze hebben weinig verbeelding over alternatieve samenlevingsmogelijkheden.” Maar dit pessimisme leidt wel tot activisme. “Uit pessimisme groeit een woede die superkrachtig is,” zegt Yaël weer. Ook de jongeren van Victoria Deluxe/Kopergietery roepen op tot strijdbaarheid. Zelfs als het lijkt alsof we te klein zijn om echte impact te maken, moeten we niet in doemdenken vervallen. Deze jongeren behoren tot de klimaatgeneratie, bijna allemaal kwamen ze voor het klimaat op straat. “Zie wat jij kan doen niet als een druppel op een hete plaat,” gaat de eindspeech van Victoria Deluxe, “maar als een druppel in een emmer die ooit zal overstromen.” 

Overigens sloot de net iets oudere Stefaan Van Brabandt van Het Zuidelijk Toneel zich aan bij de tijdsgeest van de jeugd: “Optimisme werkt uitstelgedrag in de hand, de kritische zin activeert meer,” verheft hij pessimisme tot een morele plicht. “Ik denk: het gaat slecht, maar het wordt beter.” We mogen ons aan een sombere, maar strijdvaardige tijd verwachten. 

Les 2: We willen zo graag hoop ervaren (maar het is vechten tegen de bierkaai) 

Het was elke avond drummen aan de ingang van de oude NMBS Loods waar de Avonden plaatsvonden. Vaak op zo’n nijdige manier dat je er hopeloos van werd. Maar blijkbaar willen we dus kost wat kost een greintje hoop ervaren. 

Dat is de paradox van de hoop: we willen graag hoop zien, maar we geven er bijna automatisch altijd een cynische draai aan. Als Greg Nottrot van het NUT aan de toeschouwers vraagt wat hen hoop geeft, antwoordt iemand: “De massale jongerenprotesten in Hong Kong!” “En ook hoe de politie ze neerslaat?” vraagt Nottrot ad rem en tot algemene hilariteit bij het publiek, betrapt in zijn naïviteit. Als Het nieuwstedelijk dan weer vraagt wie in het publiek zich schaamt om hoopvol te zijn, is de respons enorm. We hebben het verdomd moeilijk om ernstig en oprecht, en niet ironisch hoopvol te zijn. 

Is hopen vandaag vooral vechten tegen de bierkaai? Eigenlijk geloven we niet écht dat het goed komt, maar we willen wel doen alsof, ook al vervallen we dan in meligheid – of op z’n minst kwetsbaarheid en solidariteit. Tegelijkertijd ís dat ook precies hoop: net wanneer je denkt dat alles onmogelijk is, toch vastklampen aan de onzekerheid van de toekomst – het kan maar net wél goed komen. 

Met zijn ontroerende tekst nog in de hand speelt Günther Lesage (ARSENAAL/LAZARUS) de vrouw die tijdens de recente hittegolf zes dagen vastzat in een autowrak. In die situatie blijven volharden, wanneer alle redelijkheid is opgeschort: daar, dichtbij het ergste lijden, in het energetische gevoel dat het ondanks alle pijn tóch goed kan komen, daar ontstaat hoop. 

Les 3: De hoop zit naast je in de zaal 

Het publiek kreeg op de Avonden van Hoop dikwijls het eerste en laatste woord. Het Zuidelijk Toneel vroeg zijn toeschouwers om één vraag of inzicht over hoop op te schrijven (het grappigste voorbeeld: ‘Hoe kaap je de goede hoop?’) en bouwde daarop zijn voorstelling. Het nieuwstedelijk begon in samenzang en eindigde met een collectieve vragenronde. Bij ARSENAAL/LAZARUS en het NUT zetten drie schrijvers de hoop en het pessimisme van het publiek live in teksten om. De Avonden van Hoop draaiden om een gedeeld verlangen om hoopvol te zijn, een collectiviteit die misschien nog het meest tot hoop stemt. Zelfs als de Vlaamse bouwmeester Leo Van Broeck bij Het nieuwstedelijk een speech geeft over de ineenstorting van ons planetair ecosysteem, besluit hij nog met: “De hoop zit naast je in de zaal.” 

Bij Yaël van Jong Gewei klinkt het als volgt: “Als die pessimistische woede gedeeld wordt, krijg je een yes-gevoel.” “Niet de woede per se geeft hoop, maar het collectief,” zegt haar medespeelster Lore (25). Ook de jongeren van Victoria Deluxe/Kopergietery vinden steun bij elkaar, vertelt Willaert: “Er zijn geen grote ideologische verhalen meer, dus trekken ze zich op aan hun onmiddellijke leefwereld, aan elkaar. En aan humor, die ze gebruiken om zich van de realiteit af te zetten.” 

Het meest ontroerende moment valt aan het einde van de eerste avond, waarin elke toeschouwer anoniem één vraag of inzicht mag opschrijven. De spelers, onder wie Wim Helsen en Stefaan Van Brabandt, lezen ze op scène voor en proberen een antwoord te formuleren. Stand-up filosoof Laura van Dolron, die vaker dit soort liveconcepten opzoekt, voelt aan het eind van de avond dat ze de auteur van één anoniem briefje nog een antwoord verschuldigd is: “Hoe vind je veerkracht als je een kind hebt verloren?” Haar antwoord: “Dat je bent opgestaan en naar hier gekomen: veerkracht. Dat je deze vraag hebt opschreef: veerkracht. Dat je ze deelde met iedereen: veerkracht.” Terwijl het publiek na de voorstelling naar buiten druppelt, zien we hoe een vrouw en van Dolron elkaar omhelzen. 

Gilles Michiels & Simon J. Bellens

HET IS AAN… Khadija El Kharraz Alami

HET IS AAN…
KHADIJA EL KHARRAZ ALAMI

Wat als ‘de norm’ zich dienstbaar en nieuwsgierig zou opstellen? En bijvoorbeeld stage zou lopen bij jonge makers, onafhankelijke kunstenaars, vrouwen… Minderheden die langzaam maar zeker een meerderheid vormen, maar die nog te weinig op bepaalde machtsposities zitten om het verschil te kunnen maken. Minderheden die ons allen een duwtje zouden kunnen geven in de richting van een gezond, professioneel en inclusief werkveld.

Met ‘de norm’ bedoel ik de maatstaf die nog steeds wit en man is.

Of zijn er inmiddels bewegingen geweest die deze constatering of definitie van de norm onderuit kunnen halen? Graag! Ik ervaar namelijk nog steeds, als onafhankelijk kunstenaar, dat zowel mannen als vrouwen – onbewust of bewust, in hun onvermogen? – hun macht en privileges niet bevragen maar nog steeds als vanzelfsprekend lijken te nemen. 

Ik heb stage gelopen in de horeca. In de dienstverlenende sector. Een marketing stage. Een kijkstage bij een groot regisseur. Een andere stage bij een andere grote regisseur waar ik een van tien stagiaires was die samen een koor vormden in een voorstelling die door Nederland toerde. Ik heb veel geleerd van stage lopen. Onder andere wat de verhoudingen zijn. Wat de eenzijdigheid van de norm is en wat hij te bieden heeft. En ik heb me leren aanpassen, mijn rol te accepteren en mijn mond te houden – want ik was de stagiaire, jong en dienstbaar.

De rol van stagiaire gun ik ook het orgaan van dit festival. Loop stage bij nieuwe makers, onafhankelijke kunstenaars, mensen van verschillende sociale klasse. Schrijf een motivatiebrief en stel je open, naïef en nieuwsgierig op, in een poging je kaders te verbreden en andere gewoonten en gebruiken te leren kennen. Ik ben ervan overtuigd dat de volgende editie inclusief, gelaagd, betrokken en feestelijk zal zijn, zodra ‘de norm’ de stap zet om bescheidener te zijn. Om te willen leren door de kaders van de groeiende minderheden te ervaren.

Credits
Illustratie: Janice Feryn