Onder elk deksel kookt een stinkend potje

Over ‘Who’s Afraid of Virginia Woolf’ (Jong Werk) 

In het Vlaamse theaterlandschap tiert het welig aan Edward Albee’s klassieke drama Who’s Afraid of Virginia Woolf?. De Koe herneemt haar versie uit 2005 dit jaar opnieuw op TAZ. Mesut Arslan, Platform 0090 & KVS tonen dit najaar eveneens een bewerking van het drama. Ook het Amsterdamse toneelgezelschap Dood Paard bracht haar interpretatie van Who’s Afraid uit 2013 met vers geweld op de planken. En dan zijn er nog jonge ganzen Imke Mol, Naomi van der Horst, Flor Van Severen, Mitch Van Landeghem die zich aan dit stuk wagen. Wat is toch de aantrekkingskracht van deze dramatekst op – zowel jonge als oudere, meer gevestigde – theatermakers? En waarom laat de versie van het jonge kwartet zo’n indruk na? 

Edward Elbee schreef Who’s Afraid of Virginia Woolf? in 1962. Met zijn stuk beoogde hij kritiek te leveren op de American Dream: het ideaalbeeld van een doorsnee doch gelukkig en tamelijk welvarend middle class gezinnetje, woonachtig in de suburbs. In dit duistere psychologische drama wordt namelijk een koppel opgevoerd dat compleet dysfunctioneel is. Het stuk bestrijkt de tijdsduur van één nacht en speelt zich uitsluitend binnenshuis af. Het koppel, Martha en George, is aan het begin van het stuk verwikkeld in een schijnbaar banale discussie. Vandaaruit ontspint zich een steeds giftiger wordend gesprek, een strijd op leven en dood bijna, waarin alle illusies aan stukken gereten worden. George en Martha nodigen een jonger koppel bij hen uit. Vers vlees om hun getreiter op uit te testen. Enkele uren van tevoren leerden ze Nick en Honey kennen op een personeelsfeestje van de universiteit waar de beide mannen tewerkgesteld zijn. Het nietsvermoedende koppel wordt in de loop van de avond gereduceerd tot de speelbal van George en Martha’s perverse spelletjes. 

Van Severen en Mol spelen de rollen van George en Martha en Van Landeghem en van der Horst die van Nick en Honey. De publiekstribunes staat in een vierkant rond het speelveld. We bevinden ons ergens in een sportzaal, waardoor het lijkt alsof we getuige zijn van een repetitieproces – daar wijzen ook de joggingbroeken op waarin de spelers gehuld zijn. Het is daarenboven de indruk die Van Severen en Mol wekken met de openingsscène. Mol kan maar niet op de titel van een film komen. Ze geeft van Severen allemaal hints en clous maar kan op geen enkele naam komen. Wie bekend is met het verhaal van Who’s Afraid, weet echter dat Mol het eigenlijk heeft over een verfilming van dit verhaal zelf, waardoor je begrijpt dat dit een subtiel parodiërend ingreepje is in de originele tekst. Daardoor lijkt het alsof Van Severen en Mol deze discussie als zichzelf voeren, niet in hun hoedanigheid als George en Martha. Pas na een tijdje veranderen zij van onderwerp en wordt duidelijk dat ze geleidelijk aan in die rollen gegleden zijn. Met deze ingreep wordt meteen de toon gezet van deze interpretatie: de schoonheid en sterkte zitten hem in de opbouw en in de subtiliteit. 

Who’s Afraid is namelijk een stuk dat zodanig is opgebouwd dat het de ene illusie na de andere afpelt. De hypocrisie, of ook wel de leugens die deze koppels samenhouden worden één voor één blootgelegd in de sadistische spelletjes waarmee ze elkaar op de kast proberen te jagen. Zo priemt Martha bijvoorbeeld tijdens het spelletje ‘Humiliate the Guest’ dat George een roman geschreven zou hebben waarin hij het verhaal vertelt over een jongen die zijn ouders heeft vermoord. Even later insinueert ze dat deze roman autobiografisch is. Deze opbouw en afbraak van illusies wordt weerspiegeld in de opstelling van de tribune, de kostuumwissels en de duur van de voorstelling. Mol, van der Horst, Van Severen en Van Landeghem hebben dit stuk namelijk zodanig geconstrueerd dat zij na verloop van tijd steeds overtuigender in hun rol belanden. Dat doen ze onder andere door hun joggings geleidelijk aan in te ruilen voor kostuums die beter bij hun personage passen en zo een timing neer te zetten die erop gericht is slechts traag te verglijden van werkelijkheid naar fictie, van illusie naar desillusie. Dat doen ze ook door zich te verkleden achter de tribune en zo een extra laag te creëren die draait om het onzichtbare zichtbaar maken en omgekeerd. 

Dit is werkelijk intelligent theater. Subtiel en sterk spelerstheater. De aantrekkingskracht van dit stuk bestaat er vooral uit dat de thematiek van mensen die bepaalde illusies proberen in stand te houden om aan een maatschappelijk ideaal te kunnen voldoen nooit uitgeput raakt. Onder het deksel van het klassieke gelukkige gezinnetje is vaak een stinkend potje aan het koken. Het feit dat deze jongeren deze thematiek zo goed begrepen hebben en dat in alle segmenten van hun spel, publieksopstelling – tot zelfs in het gebruik van attributen – hebben doorgetrokken, pleit voor hen. Benieuwd of de meer gevestigde garde met hun interpretatie van het stuk even ver kan springen. 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.