Onderweg naar De Vervelende Bus

Impressie van een wandeling door het Familiepark 

We weten dat ze bestaan, maar ze worden allengs een bedreigde soort: dagjesgasten die geen flauw idee hebben van wat er deze dagen te beleven valt in Oostende. ‘Theater Aan Zee? Nooit van gehoord,’ aldus Saab en Hamaz. We vergeven de jongens hun onschuld en trekken met goed vertrouwen het Leopoldpark in, dat ook dit jaar door TAZ weer is omgedoopt tot het Familiepark. 

Op naar de Tent Op De Berg dus, want daar speelt En Braaf zijn! van Villanella. Driewerf helaas. Een acteur van het gezelschap komt melden – het zweet op zijn bovenlip – dat de voorstelling een half uurtje vertraging heeft opgelopen. Technische problemen. Kan de beste overkomen, denken we dan, en de rij aanschuivende ouders met ons. Niet getreurd, vlakbij staat Ell Circo D’ell Fuego met een acrobatische opstelling van klimtuigen. “Wij komen elk jaar naar het Familiepark met de kindjes,” vertelt Griet, die toekijkt hoe haar dochtertje aan de trapeze wordt gelift. “Wat we de afgelopen dagen al voor moois gezien hebben? Meneer beer en de woeste wolven (Theater Tieret en WALRUS, red.) vonden we prachtig, met veel muziek. De Stadsboerin van Lady Angelina was ook heel leuk.” “Omdat ze eten had klaargemaakt en dat dan was aangebrand,” legt kleuter Linne to the point uit. 

Griet woont tegenwoordig in Brugge, maar elke zomer komt ze een weekje in Oostende bij haar ouders logeren, speciaal voor het festival. “Het fijne is dat je er mensen tegenkomt die je al lang niet meer hebt gezien.” Dus botste ze toevallig op Hanne, die hier ook al een paar dagen rondloopt met dochter Kato. “Ik vind het hier heel plezant,” zegt die. “Gisteren heb ik al een grappig toneelstuk gezien, dadelijk gaan we naar Braaf zijn! En ik wil ook nog graag langs dat kotje waar je ingestoken wordt.” De installatie Wij van Ultima Thule, bedoelt Kato. Wij volgen haar suggestie en wandelen de vijver af naar het barakje met de drie poorten. Ik krijg prompt een lintje in mijn hand gestopt van ene Patrick met de boodschap: “Het is aan u.” “Hoezo, het is aan mij?”. “Ik moest het lint vasthouden tot ik iemand vond die het van mij wil overnemen.” Aan het andere uiteinde van het lint knikt de tweede pineut mij begrijpend toe. 

“Niet bang zijn voor de rookmachine in ons fabriekje,” stelt één van de fabriekstoezichters een peuter op de arm gerust. “Je komt er gewoon uit in een krokant korstje.” Ik ben eindelijk van mijn dagtaak afgeraakt en schuif aan om de installatie binnen te gaan. De opdracht is simpel: we moeten kiezen. Wie de deur binnengaat met het juiste symbool, is een winnaar. De rest zijn losers, bref. Ik sta in het hokje samen met Nell, die uit zes pogingen al vier overwinningen heeft weten te puren. Peter en de kleine Felix hadden minder geluk, het is hun derde keer al. En zowaar! We stappen de cabine uit als trotse eigenaars van een winnaarsbutton. 

In die staat van fierheid bereik ik het voorleesmoment Verhalen in alle talen van FMDO vzw. Verrassend hoe de kinderen zonder verpinken blijven luisteren naar een verhaal dat schakelt van het Oostends, naar het Spaans, naar een derde taal die we zelf niet begrijpen. “We hadden op voorhand een planning gemaakt,” zegt papa Piet een beetje hulpeloos. “Ik heb ons dochtertje al gewenkt, maar ze wil niet komen.” Nel houdt van boekjes, papa en mama hebben een voorleesverhaaltje beloofd, dus Nel blijft zitten. Fair enough. 

Onderweg naar De Vervelende Bus komen we voorbij het podium waar over een goed kwartier de Impro voor kinderen van De Nonsens Alliantie zal doorgaan. Er zitten al een paar mensen op de tribune, straks is er hier geen doorkomen meer aan. De origineelste suggestie die er, wat ons betreft, uit de opgestoken vingers zal komen? “Donder, bliksem en de zon schijnt zonkracht acht”: op de vraag naar een ‘bijzonder weersverschijnsel’ voor het gedoventolkte journaal. 

In de Vervelende Bus kleven de druppels tegen de ruiten. Tot de chauffeur de ruitenwissers opzet. Of nee, de chauffeur was niet te vinden, dus werd het die gekke man in dat rare pakje. Een halfuurtje vol aangekondigde verveling: we keken onze ogen uit. “Mama, het gaat beginnen!” roept een uk van pakweg vier. En dan dertig minuten lang: “Kijk, mama! En kijk daar! En daar!” “Er is hier gewoon té veel te zien,” zegt de stralende mama in kwestie als ze de bus uitstapt. “Wij wonen zelf in Oostende. We zijn hier toerist in eigen stad. Zalig is dat.” Of driejarig zoontje Leon zich echt heel erg had verveeld daar in die bus, willen we nog weten? “Jaaa! Ik wil er nog een keer in!” 

Herkenning en erkenning in ‘RONJA’

Thema-avond Stichting Nieuwe Helden geeft armoede een stem 

We verzamelen buiten aan de glazen inkom van het stadhuis. Ik kijk naar binnen en zie chique gedekte tafels met flessen wijn. Dat belooft. Wanneer we naar binnen mogen, vraagt een van de medewerkers me of ik hier in groep ben. “Alleen.” Ze brengt me naar mijn plaats waar ik de drie tafelgenoten leer kennen met wie ik de komende twee uur zal delen. Met RONJA wil Stichting Nieuwe Helden niet enkel een statement maken, ze willen ook de daad bij het woord voegen: we moeten elkaar weer meer ontmoeten om zo meer om elkaar te geven. Volgens hen is het een deel van de oplossing van het armoedeprobleem in onze samenleving. Daarom werden veertig van de honderd tickets via partnerorganisaties aan mensen in armoede gegeven. Want het is belangrijk om niet alleen over die mensen te praten, maar ook met. Het is een knappe en terechte reflex, maar het moet gezegd dat dit mooie uitgangspunt in de praktijk wat verloren gaat. Het publiek dat via die partnerorganisaties aanwezig was, zit dinsdagavond namelijk vooral in dezelfde groep. Er ontbreekt dus nog iets in de mix van de tafelzetting om echt te praten met. 

Vooraleer we het voorgerecht voor onze neus krijgen, is er een interview door regisseur en host Isil Vos. Zo is er iedere avond een andere armoede-expert die aan het woord komt. Vanavond is het aan Patrick Blondé van CKG (centrum voor kinderzorg en gezinsondersteuning, red.) ’t Kapoentje uit Oostende. Het centrum helpt jonge gezinnen bij het opvoeden van hun kinderen. Blondé houdt een vurig pleidooi tegen het labelen van mensen in armoede als ‘slechte ouders’ en voor het betrekken van die mensen bij de opvoeding van hun kinderen, tot en met het samen organiseren van kinderopvang. Blondé vertelt het met veel passie en een stukje woede – hij spaart daarbij de beleidsmakers en politici niet. In de zaal hoor je regelmatig het publiek instemmen. “Eindelijk iemand die het zegt zoals het is!” Helaas houdt de interviewster de teugels iets te weinig in handen, waardoor het betoog van Blondé bij momenten alle kanten uitschiet en zijn gegronde boodschap deels verloren dreigt te gaan. Een beetje zonde. 

‘Ik ben een leefloonmoeder’

Na het hoofdgerecht is het tijd om de tafels te verlaten en trekken we naar een conferentiezaaltje voor de eigenlijke voorstelling. Op het kleine podium zien we een buffetpiano met aan de achterkant een ingebouwd tv-scherm, een hoge kruk, en een kaartenmolen met flyers en brochures. Clara komt het podium op, stelt ons voor aan haar pianist en “rots in de branding” Francis en heet ons van harte welkom op de infoavond van RONJA – VILLAGE. Het zaallicht blijft aan. Dat past in de logica van een infomoment en houdt het tegelijkertijd laagdrempelig voor een publiek dat niet per se vertrouwd is met theater. Clara speelt meteen open kaart: “Ik ben een leefloonmoeder,” werpt ze het publiek toe. Ook over haar doel is ze duidelijk: een betere toekomst voor haar dochter Ronja. Op het scherm zien we een typisch – lees: klef – promofilmpje over een nieuw woonproject met de belofte van een idyllisch gezinsleven. Hier moeten we gaan wonen, zegt Clara. In dit project dragen de bewoners zorg voor elkaar, is er genoeg voor iedereen en het leven zorgeloos. Dit allemaal in groot contrast met haar situatie nu. 

Wat volgt, zijn een getuigenis en een aanklacht. Over hoe ze in de problemen geraakt is, en tegen het systeem dat haar in die miserie houdt. Voor het levensverhaal van Clara baseerde Stichting Nieuwe Helden zich op anderhalf jaar onderzoek waarvoor ze onder andere met heel wat mensen in armoede spraken. Oprechte hulde aan Stichting Nieuwe Helden dat ze zo een stem geven aan een groep die nog al te vaak stemloos moet blijven, niet alleen in de context van TAZ. Je voelt en hoort dat het resoneert in de zaal: herkenning en erkenning, eindelijk. “Wie heeft al eens schulden gehad?” Heel wat handen gaan de lucht in, een vrouw naast mij heeft tranen in de ogen. 

Dat het eigenlijk preken voor eigen kerk is, en de mensen – politici en beleidsmakers – die dit écht zouden moeten horen niet in de zaal zitten, deert niet. Het ‘Vierde Wereldlied’ dat Clara en Francis samen brengen, zorgt voor kippenvel. Maar in het willen overtuigen gaat soms wel juist dat verloren. Is het door de collage van getuigenissen? Of door de manier waarop die verteld worden? Clara wordt niet echt een personage van vlees en bloed. Dat valt des te meer op wanneer Francis na een tijd losbreekt vanachter zijn piano en de voorstelling zo ineens veel meer zuurstof geeft. 

In een gesprek over de voorstelling (zie TAZette #06) was regisseur Isil Vos duidelijk over de bedoeling met RONJA: we moéten het over armoede blijven hebben. Daar is Stichting Nieuwe Helden met deze avond zeker in geslaagd. Laat de oprechte bezorgdheid die curator Lucas De Man en de zijnen dit jaar naar TAZ brachten, met onder andere RONJA en The Village, geen eendagsvlieg zijn, maar de eerste stap van nog vele. Ja, we moeten het hierover blijven hebben.

Beeld:  Indy Mah

Een krachtveld met hindernissen

Improvisatie staat centraal in ‘Physical Proof’

Over ’t water, ergens in een loods, performen twee jongemannen, Hernán Mancebo Martinez en Rino Sokol, elke avond met hun twee de voorstelling Physical Proof. In dit stukje onvervalst fysiek theater transformeren Martinez en Sokol hun scène tot een krachtveld van aantrekking-afstoting, actie-reactie en spanning-bezinning. Ze improviseren zich als het ware een weg naar elkaar toe. 

Voor de eerste scène van de voorstelling bevinden Mancebo Martinez en Sokol aan de rechterzijde van het speelvlak. Ze kijken naar de twee stoelen die er opgesteld staan. Vervolgens begeven ze zich gelijktijdig naar die stoelen, tillen er één voorzichtig van de grond en plaatsen de stoel ergens anders in de ruimte. Terwijl ze dat doen, houden ze elkaar scherp in de gaten. De passen die ze zetten op de bühne, meten ze af aan de stappen die de ander neemt. Zo ontstaat een aftastende choreografie tussen twee mensen, gefaciliteerd door twee objecten. Wanneer ze de stoel ergens neergezet hebben, houden ze even stil, aanschouwen de nieuwe ruimtelijke compositie en knikken naar elkaar dat het tijd is voor een weer nieuwe constellatie. 

Op een gegeven moment vraagt één van hen aan de ander: “What do you see?”. Waarop de ander zijn verbeelding de vrije loop laat en iets probeert te ontwaren in de constructie die ze opgezet hebben. Zo gaan ze wel even door – en meestal zijn de antwoorden best grappig. In de trant van: “I see a galaxy with moving celestial bodies”. Of: “I see a school bus, like this big yellow American school busses”. Het lijkt alsof ze naar een abstract schilderij kijken en proberen om de abstractie terug te brengen naar wat het beeld representeert. In Physical Proof wordt er, kortom, vaak geïmproviseerd. 

(c) Marc T. Photography

Hoewel het niet duidelijk is wat er op voorhand afgesproken werd en wat niet, zou het goed kunnen dat de performers hun composities in de ruimte – en hun antwoorden op de vragen – van het moment zelf laten afhangen. Het is mooi om te zien hoe ze zich schijnbaar laten leiden door hun intuïtie, door de dynamiek met de ander om tot een nieuwe compositie te komen, om dan te reflecteren over de tastbare schoonheid die hun gezamenlijke intuïtie heeft voortgebracht. 

Na deze doortastende eerste scène verschuift de focus van de voorstelling meer naar de ‘fysicaliteit’ van beide jongemannen. We maken een soort training mee tot ‘meester-verleider’, waarbij Mancebo Martinez de nogal knullige Sokol hardhandig coacht in het aanleren van het bewegingsregister van een dansende Don Juan. Ook simuleren de twee een gevecht met elkaar, waarbij ze pretenderen alle elementen te beheersen. Bij dit soort sketches moeten Mancebo Martinez en Sokol het vooral hebben van de kolder. Vervolgens voeren ze een gesprek en bevragen ze elkaar over hun ontluikende seksualiteit. Hoe weet je of een meisje wilt dat je met haar de liefde bedrijft, of neukt? In deze scènes staat de overgang van ‘jongen’ naar ‘man’ centraal. Het niveau van deze gesprekken laat echter soms wat te wensen over. Inhoudelijk is het niet erg belangwekkend, en ook weinig zelfrelativerend. Bovendien gaat de helft van de gesprekken soms verloren door de slechte akoestiek. Dat is jammer. 

Door improvisatie als methode te hanteren voor een creatie, zet Physical Proof wel iets op het spel. Het duo bouwt een spanning op die je als toeschouwers vooral nieuwsgierig maakt naar welke bewegingen de performers bij elkaar zullen uitlokken. Je vraagt je gaandeweg ook af of ze erin zullen slagen die intensiteit tot het eind toe vol te houden. Met een improvisatievoorstelling loop je soms immers ook het risico dat het geheel wat in elkaar zakt, omdat de flow plots hapert of de samenhang ontbeert. Dat gebeurt in Physical Proof ook bij momenten. Soms lijkt het tweetal rond elkaar te cirkelen, zonder veel betekenis of diepgang. Maar het artistieke lef waarmee Martinew en Sokol zichzelf avond na avond durven heruit te vinden, is bewonderenswaardig. Waarbij de mogelijkheid bestaat dat u vanavond iets helemaal anders te zien krijgt. Dat zou best wel eens kunnen. 

HET IS AAN… Mats Van Herreweghe

HET IS AAN…
MATS VAN HERREWEGHE


Beste lezer,

Bezig zijn met ‘jong werk’ betekent voor een deel: bezig zijn met verbeelden hoe kunst er in de toekomst kan uitzien. Sta me daarom toe om een aantal van mijn utopische ideeën voor het Jong Werk op TAZ aan jullie te introduceren.
Jong Werk zou een plaats moeten zijn waar diverse artistieke praktijken-in-evolutie zich met elkaar verbinden, waarin op zoek wordt gegaan naar duurzame manieren van samenwerken en waarin nieuwe/radicale/utopische/poëtische verbeeldingen worden gecreëerd.
De manier waarop het Jong Werk nu is vormgegeven, waarbij iedereen op een eigen locatie eigen werk presenteert, is daarom nog niet helemaal toereikend.
Nu het einde van het festival stilaan aan de horizon verschijnt, lijkt me daarom een aantal open vragen aan de orde:

1. Hoe creëren we een plaats waarbij niet alleen het resultaat maar ook het gesprek belangrijk is? Een architectuur die ervoor zorgt dat de één niet beter is dan de ander, maar waarbij we er allemaal met elkaar en voor elkaar zijn?
2. Hoe delen we dat gesprek met een breed publiek?
3. Hoe kunnen jonge kunstenaars meer verantwoordelijkheid krijgen in keuzes en artistieke beslissingen die in de eerste plaats hén aanbelangen?
4. Hoe zorgen we van bij het begin voor een gezond ecosysteem tussen jonge kunstenaars, de mid career generatie en ouder?
5. Moeten we in die zin niet nadenken over een nieuwe naam voor het label ‘Jong Werk’? Bestaat er geen breed toegankelijk synoniem voor praktijken ‘in transitie’?

Terwijl ik deze vragen opschrijf, zit ik in een park te kijken naar kinderen, pubers en – in mijn verbeelding – ook naar volwassenen en ouderen die op een uit touwen geweven klimtuig aan het spelen zijn. ’t Is zo’n tuig dat we samen moeten bouwen, iets waar we kunnen aan bouwen en wat we kunnen ombouwen. Als een uitnodiging om te spelen.

Zomerse groeten,
Mats


Illustratie: Janice Feryn