Beste mensen, welkom

Foto van openingsceremonie

DOOR LOUISE VAN DEN EEDE ―

1.

Beste mensen, welkom,

Toen TAZ vroeg om een tekst te brengen over mijn innerlijke zeestorm aan een klein eroderend huis op het water, was ik nog niet helemaal zeker hoe dat er precies zou uitzien. En of mijn storm wel krachtig genoeg zou zijn om de overkant te bereiken. Ik ben een dramaturge en schrijver en mijn werk plooit zich meestal naar binnen.

Toch kan ik vertrouwen hebben in de setting hier: een huis dat geleidelijk aan afbrokkelt;

het water rondom; mijn broer Ramses die muziek gaat spelen met Vito, enkele nummers uit Vito’s album The Restless Kind; en ikzelf – ik ben hier aanwezig als ronddwalende, rusteloze dramaturge.

Doordat al die elementen hier zijn denk ik dramaturgisch gezien meteen aan The Fall of the House of Usher (en ik zou het graag met jullie delen). Dat is een kort verhaal van Edgar Allen Poe waarin, in een letterlijk scheurend huis, de inwonende kunstenaar Roderick Usher en zijn zieke schim van een zus één en dezelfde ziel lijken te delen. Dezelfde rusteloze ziel vooral. Dus deze setting is al een reflectie van wat er hier binnenin speelt in het klein. Of anders gezegd: wat hier zich buiten afspeelt is een schaalvergroting van onze gedeelde rusteloosheid. En mijn tekst staat als een huis … We zien alleen de scheur nog niet.

2.

Ik zag in The Fall of the House of Usher een dramatische voorafschaduwing van hoe het met onze cultuursector kan gaan, met een fatale ondergang door burn-outs en depressies. Ik wou de nevel doen optrekken rond het huis, rond de personencultus, rond wie er zogezegd belangrijk zou zijn en wie minder. Ik wou een verhaal zonder solo-helden. Je hoeft het verhaal niet gelezen te hebben, The Fall of the House of Usher, om in Roderick Usher de kunstenaars te herkennen die op hun tandvlees zitten. En in Lady Madeline Usher, zijn zus, herken ik mezelf als dramaturge. Niet omdat ze ziek is en aan catalepsie lijdt – een spierverstijving waardoor het niet duidelijk is of je slaapt of gestorven bent – maar omdat ze haar plaats niet goed kent en ronddoolt tussen achtergrond en deurdorpel. (Je hoeft het verhaal ook niet gelezen te hebben om al snel door te hebben dat er hier geen figuur naar voren wordt geschoven. Er zijn alleen maar verschijningen en verdwijningen. Huis, broer en zus delen hetzelfde lot.)

3.

“Het leek een absurde tegenstrijdigheid”, schreef Edgar Allen Poe, “deze nog onaangetaste samenhang van het gebouw én de verbrokkeling der afzonderlijke stenen. Iemand met een zeer opmerkzame blik zou misschien een nauwelijks zichtbare scheur hebben ontdekt die in zigzagbeweging vanaf het dak over de hele voorgevel liep, om dan te verdwijnen in het water rond het bouwwerk.”

4.

Toen ik al vrij ver opgeschoten was met het schrijven van deze tekst, stapte er een kunstenares uit het leven: Caroline Van den Eynden. Caroline, ze was de beste vriendin van Bart, die ook van mij een goeie vriend is slash de scenograaf met wie ik het liefste werk. Ik kende haar alleen van die enkele keren met hem te eten, en de eerste keer dat ik haar zag was ik al meteen op mijn gemak. Ze was een heel lieve bescheiden vrouw van veertig en het voelt tot op de dag van vandaag compleet onwezenlijk dat zij er niet meer is.

Ik zit aan mijn bureau op de zevende verdieping, hier in Oostende, als het nieuws binnenkomt en ik zie even niet meer wat ik aan het doen ben. Mijn aanklacht aan de van zichzelf vervreemdende sector is misschien toegenomen in relevantie, maar tegelijk voelt het raar om stelligheid te installeren over iets dat eigenlijk iedereen diep van binnen al voelt.

Die avond van het nieuws ga ik nog naar buiten, mijn strandstoel mee, een doek om mij warm te houden in de avondkoelte, om daar beneden aan de zee te zitten en te wachten

hoe het donker langzaam naar boven stijgt.

5.

Dat is een mooie gedachte van Nescio trouwens: dat de avond niet valt, maar dat het eerst beneden donker wordt en dat het donker geleidelijk aan omhoog kruipt. De avond valt eigenlijk niet, ze stijgt.

Ik zie een kalme zee en ik ben er nog altijd, constateer ik heel bewust. Ik kan de jaren van mensgeworden leven nog altijd overpeinzen en indenken dat het veel te veel is allemaal en tegelijk een zucht.

Ik denk aan Bart die zijn beste vriendin is verloren en er niets van zal begrijpen. Hij wist toen niet dat ik het al wist maar ik voel de schok van pijn nog altijd tot hier, als een rooksignaal, de horizon trilt en de avond valt niet. Het was toen 30 juni, het was haar laatste 30 juni. Om 23:17 uur verdicht de nacht zich boven de zee – al is het nog niet helemaal, want zie ik nog veel vage vegen van licht boven de horizon.

Ik weet nog enkele maanden geleden, ergens in maart in Antwerpen, dat Caroline viel over de sokkel van een parasol; een sokkel waar ik zelf op zat door een gebrek aan stoelen op het terras. Ze struikelde. Ze trok me bij mijn haar mee in haar val. De valhoogte was klein want ik zat al dicht bij de grond. Ik was vooral geschrokken, want ik had het niet zien aankomen. Het was een abrupte onderbreking van de avond, heel intens, maar toen konden we er wel goed mee lachen.

Als iemand uit het leven stapt worden vele levens onderbroken. Pijn is niet hiërarchisch georganiseerd, het loopt over de horizon en het trekt iedereen mee. Wat diep gaat, gaat ook breed.

6.

Diezelfde avond nog zal ik naar de website van haar werk gaan en voor het eerst haar werk zien – de op schaal gemaakte architectonische sculpturen – en ik lees het volgende tekstje van Caroline, bij haar werk: “Mensen focussen op de directe omgeving of verre toekomst;

ik accentueer doorgangen, evoluties en onuitgesproken mogelijkheden, zowel in toekomst als verleden. Voor velen is een traphal functioneel; voor mij is ze fundamenteel. Zonder trap, deur of doorgang kan je niet naar een ander of hoger niveau. Door de grenzen van de waarneming te verleggen, door herinneringen en verlangens zichtbaar te maken, functioneren deze modellen als kijkkast van de ene werkelijkheid naar de andere …”

7.

Maar dus daar beneden, in een strandstoel aan de zee, zie ik nog één laatste veeg van licht in het donker, een gulden vlies; het vlies dat er al was voor dat het een mythe werd, nog voordat mannen zoals Jason en zijn argonauten er een queeste lang naar zochten. Nog lang daarvoor dus was het gulden vlies blijkbaar het resultaat van een oeroude techniek om kostbare stoffen uit het water te filteren. (Ik hoop dat ik het goed navertel.) Zo werd er naar het schijnt een geitenvel gespannen van oever tot oever, strak boven een smalle beek of boven een bron; die vacht zou daar hangen, nat worden en het goudstof zou blijven plakken, tot het er later als van een tapijt wordt afgeklopt.

“Schoonheid moet je onderscheppen,” zei Raymond van het Groenewoud eens in een interview. Maar het gulden vlies? Ik weet niet meer precies wie dit vertelde of wie dit schreef, maar ik weet wel nog dat ik dit een rake omschrijving vond voor als mensen me nog eens zouden vragen: wat doet een dramaturg nu eigenlijk?

8.

Er zijn maar enkele jaren van mensgeworden leven aan mij besteed. Ik zal met mijn tijdelijk lijf erin gaan staan, met mijn vel bloot voor aantasting, en ik zal kijken, ik zal blijven stilstaan, ik zal bewegen ik zal samenwerken, en ik zal jou opwachten. Het is nog niet zeker of er goud aan blijft plakken, maar we zullen zien. Want we weten niet: wat wordt doorgegeven? Wat blijft hier en wat moet eindeloos blijven transformeren? Wat wordt getekend, wat wordt gekerft, wat verliest er de glans?

Zie mij blinken, zie mij blinken voor ik meegetrokken wordt in de stroom van de tijd en zie mij blinken terwijl ik verga. Zie mij, een glinstering in het donker dat niet valt maar naar boven kruipt.

Een dramaturg doet er niet toe en tegelijk doet alles ertoe: de bron doet ertoe; het vel doet ertoe; de techniek en het goud.

9.

We zijn toe aan de epiloog.

Dit was mijn tekst. Er zat zigzag wel een scheur in, maar ik heb het nu niet over die zus van Roderick Usher gehad. Gedurende heel het verloop schijnt ze weinig bij te dragen aan het verhaal. En toch, op het einde, wordt ze het gewicht, wordt ze de voltooiing, de diepte.

Ze bevindt zich ergens ver buiten het gesloten/verticale systeem waar status en belangrijkheid regeren. Ze bevindt zich ergens waar we aan stelligheid verliezen en aan nieuwsgierigheid winnen.

Ergens in de nevel, in een gelukkige afwezigheid van scherpe omtrekken.

Ergens in een mengeling van licht, schakering en schaduw is er een doorgang, een mogelijkheid, doe ik ertoe, doet iedereen ertoe.

Ik geloof dat licht, en schakering van licht, de twee oevers zijn waartussen mijn vel gespannen wordt.

En nu mag Vito zijn muziek er nog eens op loslaten. Dankuwel!

Tekst Louise Van den Eede / Dirigenten 1


Dirigenten van mijn innerlijke zee(storm) aflevering 1. Nog tot en met za 6. Op Café Koer, 18:30 uur.

Geef een reactie

%d bloggers liken dit: