Alle berichten door heleendriesen

HET WAS AAN… Heleen Driesen

HET WAS AAN…
Heleen Driesen


Ze starten hun dispuut omstreeks 1.45 uur in de ochtend. Hij leunt achteruit op de motorkap van een kleine witte Citroën, zij staat druk gebarend voor hem. Ik heb het raam van mijn slaapkamer opengezet. Op het zevende verdiep telt luistervinken niet meer. Zesentwintig minuten lang hoor ik alleen maar haar stem. Hoge tonen reiken verder, denk ik ter verdediging. Het verhaal krijg ik niet helemaal mee, wel de intensiteit. Dat is wat telt, heb ik hier geleerd.

Morgen is de laatste dag van mijn eerste keer. Ik ben op zaterdag toegekomen, drie dagen na de officiële opening. De vacature had vermeld: redacteur voor de hele periode. Ach, die zucht naar volledigheid. Ik koester de prachtige voorstellingen die ik niet heb gezien, de heerlijke mensen die ik niet heb gesproken, de Dark ’n Carly’s die ik niet heb geledigd, de cheek to cheeks die ik niet heb gedanst. Hoewel – vanavond.

Ik was al eerder in deze stad, aan deze kust. Al kan ik me dat niet meer zo precies herinneren. Ik zie me nog een rolstoel voortduwen over de dijk en ijs eten in een verguld salon. De zee is weg uit het plaatje. Vandaag heb ik ze voor het eerst pas teruggezien. Het regende, ook voor het eerst. Ik heb de druppels in mijn nek gevoeld en me dat proberen in te prenten. Een lichaam onthoudt beter dan een geest, geloof ik heilig. En goddank, sommige eerste keren mag een mens nog overdoen.

Ik had ooit een liefde. Hij zou hier later als theatermaker op scène staan. Dat was beslist. Op een onbewaakt moment liep ik hem tegen het lijf. We hebben niet echt gepraat na onze laatste keer. Dat deden we ook nu niet. Laatste keren moet je niet willen overdoen.

Om 02.30 uur is het stil. Ik heb het moment gemist waarop ze uiteen zijn gegaan. Misschien hebben ze het bijgelegd. Misschien maken ze dadelijk samen hun eerste keer, of herbeleven ze die. Ik hoop dat het intens mag zijn. Nagenoeg onvergetelijk.


Heleen Driesen is redacteur bij de TAZette en was de afgelopen week voor het eerst op TAZ en in De Grote Post.


Credits
Illustratie: Janice Feryn

Dat geeft de burger moed

‘In Search of Democracy 3.0’ is een opwekkend spel 

De democratie roept ons vanuit een raam aan de overkant van de straat tegemoet als we de zaal buitenkomen: ‘Hé trut, hoe is ’t met jou? Theater Aan Zee, jawadde. ’t Is hier ál Theater Aan Zee.’ Gastheer Lucas De Man heeft zojuist de voorstelling afgesloten met de vraag: wie voelt zich vanavond niet gezien of gehoord? We hebben een kandidaat. 

Het schuurt wel meteen over de wonde: wie verzamelt er op een late dinsdagavond zoal bij de Kunstencampus om in gesprek te gaan over de democratie? We zien studenten en hoogbejaarde dames, ernstige veertigers naast montere zestigers en godzijdank ook een paar trosjes kleur. Een divers publiek dus. Ergens weten we natuurlijk beter: dit zijn mensen met een stem. Misschien twijfelen ze nog of ze die vanavond gaan gebruiken – ook mensen met een stem moeten nu en dan een drempel over. Maar ze hebben in het programmablaadje gelezen ‘interactieve liveperformance’ en ze zijn hier. Dat zegt genoeg. 

Bij het binnenkomen krijgen we een kleurenkaart. Groen, rood, blauw. We hebben de keuze om niet te weten of niet te kiezen. Niet erg dapper, wel comfortabel. Ook de moderatoren doen alvast hun uiterste innemende best om ons op het gemak te stellen. Vier geestige, charmante mensen die ons voorstellen om samen op zoek te gaan naar onze gemeenschappelijke horizon. Hoe zouden we kunnen weigeren. “Wie zijn wij en wat hebben we wel of niet met de democratie?” Dat mogen we om te beginnen in anderhalve minuut aan onze buur proberen uit te leggen. 

Het publieke verslag ervan geeft meteen aanzet tot wat debat. Een koppel heeft het gehad over de baten van stemplicht versus stemrecht en was het niet noodzakelijk met elkaar eens. “Dat stemplicht wel degelijk belangrijk is,” pikt een dame op de bovengelegen rij beslist in. “Jongeren zijn vaak niet geïnteresseerd in de democratie,” oppert ze. “Zo denken ze er tenminste over na.” Een meneer wat verderop vindt iets anders: stemplicht geeft aanleiding tot meer proteststemmen. “Dat in Nederland het tegendeel bewezen is,” pareert De Man. Geen gemaar, punt aan de lijn. Orde moet er zijn. 

(c) Moon Saris

Het gaat vooruit in deze onderzoeksperformance. We krijgen een aantal cijfers. Over hoe de verschillende nationaliteiten in Europa denken over het belang van de democratie en van sterke leiders. Over hoe die percentages zich verhouden tot leeftijd en het verloop van de tijd. Conclusie: de democratie is niet eeuwigdurend of vanzelfsprekend. We moeten eraan werken, net zoals aan een liefdesrelatie. Wat de sterke en zwakke punten zijn van die relatie, daarover zullen de makers de komende drie jaar onderzoek doen over heel Europa. Met onze hulp. Wat we zeggen is van belang – dat geeft de burger moed. 

We mogen eerst onze schoolkennis etaleren over de beginselen van de democratie, met behulp van een tijdlijn. Onze aandacht piekt als het discours een sprong maakt van het ‘wie en wanneer’ naar het ‘hoe’. Bijvoorbeeld wanneer even wordt aangeraakt hoe de oorspronkelijke inwoners van Australië omgingen met de vraagstukken in hun manier van samenleven. Daar willen we meer over horen. Maar voor creatieve oplossingen moeten we nog even geduld oefenen. En werken. Eerst gaan we het met elkaar hebben over de essentiële onderdelen van de democratie: wat vinden we écht belangrijk en wat willen we al dan niet veranderen? 

In geen tijd zit zowat iedereen met de hand omhoog. Dat is een verdienste, zelfs met een publiek dat bovengemiddeld onderlegd is in het palaveren over deze of gene kwestie. Mij komen alvast spontaan de talloze vergaderingen, denk-, focus-, participatie- of andere rondetafelgroepen voor de geest waarin ik, en mijn lotgenoten met mij, liever de vloer van het lokaal was gaan vegen dan een klinker te moeten uitbrengen. Kijk en leer. Aan niemand in het bijzonder. 

Het is absoluut een opwekkend spel om aan deel te nemen. Er worden boeiende dingen gezegd, zeker ook omdat we de gezichten zien die erbij horen. Niet heel verrassend: extreme meningen blijven uit. Goed en wel beschouwd zijn ook afwijkende opinies gering. We zitten attent op onze stoel als een lobbyist naar voren mag komen om te vertellen dat geld niet altijd de foute kwestie dient. Voor het eerst horen we spontaan gejoel. Dat de tijd er niet is om met de man uit te wijden, begrijpen we: the show must go on. Maar het had ons wel benieuwd. En we vragen ons stilletjes af welke wezenlijke inzichten dit onderzoek over drie jaar zal opleveren als het niet dieper kan spitten dan een vrij eenvoudig behaalde consensus. 

Op die bedenking anticiperen de makers zelf door te stellen dat “democratie niet gaat over nadenken of leren, je moet het doen”. We krijgen daarvoor een paar concrete ideeën mee. Daar steken we wat van op. “Ja, natuurlijk,” denken we een paar keer. “Daar moeten we inderdaad iets mee doen.” Uit het animo waarmee het publiek na de performance uit elkaar gaat, maken we op dat anderen er hetzelfde over denken. Nu alleen nog even kijken hoe we dat allemaal gaan inplannen. 

Onderweg naar De Vervelende Bus

Impressie van een wandeling door het Familiepark 

We weten dat ze bestaan, maar ze worden allengs een bedreigde soort: dagjesgasten die geen flauw idee hebben van wat er deze dagen te beleven valt in Oostende. ‘Theater Aan Zee? Nooit van gehoord,’ aldus Saab en Hamaz. We vergeven de jongens hun onschuld en trekken met goed vertrouwen het Leopoldpark in, dat ook dit jaar door TAZ weer is omgedoopt tot het Familiepark. 

Op naar de Tent Op De Berg dus, want daar speelt En Braaf zijn! van Villanella. Driewerf helaas. Een acteur van het gezelschap komt melden – het zweet op zijn bovenlip – dat de voorstelling een half uurtje vertraging heeft opgelopen. Technische problemen. Kan de beste overkomen, denken we dan, en de rij aanschuivende ouders met ons. Niet getreurd, vlakbij staat Ell Circo D’ell Fuego met een acrobatische opstelling van klimtuigen. “Wij komen elk jaar naar het Familiepark met de kindjes,” vertelt Griet, die toekijkt hoe haar dochtertje aan de trapeze wordt gelift. “Wat we de afgelopen dagen al voor moois gezien hebben? Meneer beer en de woeste wolven (Theater Tieret en WALRUS, red.) vonden we prachtig, met veel muziek. De Stadsboerin van Lady Angelina was ook heel leuk.” “Omdat ze eten had klaargemaakt en dat dan was aangebrand,” legt kleuter Linne to the point uit. 

Griet woont tegenwoordig in Brugge, maar elke zomer komt ze een weekje in Oostende bij haar ouders logeren, speciaal voor het festival. “Het fijne is dat je er mensen tegenkomt die je al lang niet meer hebt gezien.” Dus botste ze toevallig op Hanne, die hier ook al een paar dagen rondloopt met dochter Kato. “Ik vind het hier heel plezant,” zegt die. “Gisteren heb ik al een grappig toneelstuk gezien, dadelijk gaan we naar Braaf zijn! En ik wil ook nog graag langs dat kotje waar je ingestoken wordt.” De installatie Wij van Ultima Thule, bedoelt Kato. Wij volgen haar suggestie en wandelen de vijver af naar het barakje met de drie poorten. Ik krijg prompt een lintje in mijn hand gestopt van ene Patrick met de boodschap: “Het is aan u.” “Hoezo, het is aan mij?”. “Ik moest het lint vasthouden tot ik iemand vond die het van mij wil overnemen.” Aan het andere uiteinde van het lint knikt de tweede pineut mij begrijpend toe. 

“Niet bang zijn voor de rookmachine in ons fabriekje,” stelt één van de fabriekstoezichters een peuter op de arm gerust. “Je komt er gewoon uit in een krokant korstje.” Ik ben eindelijk van mijn dagtaak afgeraakt en schuif aan om de installatie binnen te gaan. De opdracht is simpel: we moeten kiezen. Wie de deur binnengaat met het juiste symbool, is een winnaar. De rest zijn losers, bref. Ik sta in het hokje samen met Nell, die uit zes pogingen al vier overwinningen heeft weten te puren. Peter en de kleine Felix hadden minder geluk, het is hun derde keer al. En zowaar! We stappen de cabine uit als trotse eigenaars van een winnaarsbutton. 

In die staat van fierheid bereik ik het voorleesmoment Verhalen in alle talen van FMDO vzw. Verrassend hoe de kinderen zonder verpinken blijven luisteren naar een verhaal dat schakelt van het Oostends, naar het Spaans, naar een derde taal die we zelf niet begrijpen. “We hadden op voorhand een planning gemaakt,” zegt papa Piet een beetje hulpeloos. “Ik heb ons dochtertje al gewenkt, maar ze wil niet komen.” Nel houdt van boekjes, papa en mama hebben een voorleesverhaaltje beloofd, dus Nel blijft zitten. Fair enough. 

Onderweg naar De Vervelende Bus komen we voorbij het podium waar over een goed kwartier de Impro voor kinderen van De Nonsens Alliantie zal doorgaan. Er zitten al een paar mensen op de tribune, straks is er hier geen doorkomen meer aan. De origineelste suggestie die er, wat ons betreft, uit de opgestoken vingers zal komen? “Donder, bliksem en de zon schijnt zonkracht acht”: op de vraag naar een ‘bijzonder weersverschijnsel’ voor het gedoventolkte journaal. 

In de Vervelende Bus kleven de druppels tegen de ruiten. Tot de chauffeur de ruitenwissers opzet. Of nee, de chauffeur was niet te vinden, dus werd het die gekke man in dat rare pakje. Een halfuurtje vol aangekondigde verveling: we keken onze ogen uit. “Mama, het gaat beginnen!” roept een uk van pakweg vier. En dan dertig minuten lang: “Kijk, mama! En kijk daar! En daar!” “Er is hier gewoon té veel te zien,” zegt de stralende mama in kwestie als ze de bus uitstapt. “Wij wonen zelf in Oostende. We zijn hier toerist in eigen stad. Zalig is dat.” Of driejarig zoontje Leon zich echt heel erg had verveeld daar in die bus, willen we nog weten? “Jaaa! Ik wil er nog een keer in!” 

‘De laatste avond ga ik naar boven, mijn bonnetjes opdrinken’

TAZ achter de schermen: in de keuken 

We geven het weinig kans, maar had u een idee dat de maaltijden die u hier op TAZ met smaak naar binnen speelt, worden bereid door: mensen die op Wimbledon hebben gestaan? Backpackers met een voorliefde voor het Midden-Oosten? Werkenden die hun vakantie misbruiken om nog méér te werken? Wij weten het ook nu pas. En waren blij dat we even bij het clubje mochten horen. 

“Dit hier he, juffrouw, je pakt dat met de kop en je trekt dat naar beneden. Je moet het niet moeilijk maken als het ook gemakkelijk kan he.” Geen instructies bij het garnalen pellen, maar bij het prepareren van een kom muntblaadjes. Ik draai een shift mee in de keuken van TAZ. Het is te zeggen: zo had ik het aangebracht bij chef Philippe. Hoe lang ik dan precies wou meehelpen? Ik: “Een uurtje of zo?” Hij moest eens lachen. 

Ze werken hier in shifts van zes uur, met vier ploegen die elkaar aflossen. De meeste helpers in het team kennen elkaar al langer. “Hanna, hoeveel jaar werk jij hier al? Vier?” vraagt Daniel, de tweede in bevel. “Bij Colette is het de vijfde keer, An is hier ook al voor het derde jaar. Nadine, Veerle en Jetje zijn nieuw. Waar die toffe sfeer vandaan komt waar iedereen het over heeft? De meesten hier zijn vrijwilligers. Die zijn doorgaans echt gemotiveerd. En er wordt hier niet geroepen en getierd.” 

“Colette, die moet je pas als laatste geven, eerst die andere!” gebaart hij tussendoor. En in een andere richting: “Fijnsnijden? Nee, dat mag er zo bij.” En: “Heb je dat goed gemengd? Beetje peper en zout bij gedaan?” Daniel is hier al voor het tiende jaar. Voordien gaf hij twintig jaar les aan koks in spe. “Ik ken mijn stiel, om het zo te zeggen. Waarom ik dit ben beginnen doen? Als je lesgeeft ben je veel thuis. En ik heb geen zittend gat. Trouwens, Jean, mon petit frère préféré daar, heeft ook een schone beroepscarrière gehad als kok. Heeft hij je verteld dat we samen nog op Wimbledon hebben gestaan? Afin, wel toen het veld leeg was. Voor de catering tijdens het tornooi, lang geleden.” 

© Marcia van der Zwan

Jean grinnikt en wuift iets weg. Daarover heeft hij het niet gehad. Ik weet intussen wel dat hij nog in het eerste groepje van Arno heeft gespeeld. En dat hij net als zijn broer met pensioen is. “Maar aan hem kan je dat zien he. Ach ja, waarom ben ik hier? Ik móet hier gewoon zijn. Voor mij is het een routine geworden tijdens de zomer.” Voor Jean ís TAZ de keuken. Voorstellingen kijken, zit er na een lange dag niet meer in. Direct na de job gaat hij naar huis, “Behalve de laatste dag. Dan ga ik naar boven. Mijn bonnetjes opdrinken. (lacht)” 

Dat het zwaar is, weet iedereen me wel te vertellen. “Ik had het een beetje onderschat,” zegt Jet. Zes uur rechtstaan is ook niet evident als je 65 bent. Ik ben hier vooral voor het sociaal gebeuren. Ik ben alleen en wilde wat te doen hebben onder de vakantie. Het is hier gezellig. ’s Avonds schuiven we nog samen aan tafel. Of ik dan content ben met wat ik eet? Zeker! Het is lekker. Ik denk dat ik nog nooit zo gezond gegeten heb als deze week, voor mezelf maak ik die dingen niet klaar.” 

“Hoe fijn moet dat?” vraagt ze als Philippe de snijtafel langsgaat. “Een beetje fijner als het kan. Kruiden die fijn gesneden zijn, zijn altijd lekkerder in de mond.” De chef-kok was ooit ergotherapeut. “Ik heb lang in sociale werkplaatsen gewerkt. In 2000 ben ik gaan fietsen in het Midden-Oosten. De keuken daar is heel lekker, avontuurlijk en plezant. Dat heeft mij getriggerd. Toen ik weer thuis was, wou ik gaan koken.” 

“Weet je wat ze in Syrië doen?” vervolgt hij met passie. “Daar halen ze kebab door de molen, mengen er lekkere kruiden door en doen er allerlei groenten en bijgerechtjes bij. Zo willen we hier eigenlijk ook werken: met kleine gerechtjes die samen maken dat je een mooi bordje krijgt. Allemaal vers, zelf verwerkt. Tiens, het valt me net op dat we vanmiddag geen Syriërs in de ploeg hebben. Die komen straks nog.” 

Het Oostends is inderdaad niet de enige taal in het team. Hanna komt uit Antwerpen. “Ik weet intussen dat een teusje een drankje is en een seule een emmer. De stad begin ik ook wat te kennen. Straks ga ik naar het strand, of wat shoppen. Of ik ga naar de vismijn wat garnaaltjes halen. Ik probeer er ook echt wat vakantie van te maken. Het restaurant waar ik werk, is drie weken gesloten. Dan kom ik hier maar wat koken, ik doe dat graag, voor mij is dat niet werken.” 

Zes weken thuis is ook voor Brigitte te lang. Ze komt hier samen met haar dochter, haar zus Veronique en haar schoonbroer de afwas doen. “Je bent bij de mensen, je bent bezig. Het is hier één grote familie. Je krijgt hier ook veel respect voor het werk dat je doet,” vult Veronique aan. “Mensen bedanken je voor je werk als ze passeren. Die waardering doet wel deugd.” 

Het stapeltje vuile kookpotten wordt intussen hoger, het buffet raakt gevuld, de stress stijgt. Veerle – die vorig jaar gewoon iets kwam drinken in de Koer en toen dacht: ik doe mee – heeft na een paar minuutjes geen tijd meer voor mij. “Ik ga voortdoen!” Dadelijk schuift 450 man aan voor de middaglunch. Vanavond staat er Oosterse kip op het menu. Heerlijk. Met muntblaadjes gepeld door ondergetekende.

‘Het moet vooral een schone show worden’

Interview met Emma Lesuis over haar laatavondprogramma 

De Nederlandse Emma Lesuis studeerde woordkunst in Antwerpen, verhuisde voor de liefde naar Amsterdam en zou mét liefde ook wel weer willen terugkeren naar Vlaanderen. Op logies in Oostende neemt ze een bont kunstenaarscollectief mee de nacht in. ‘Wat ik hoop? Dat mensen openstaan voor nieuwe gezichten. Niet voor een zoveelste talkshow met BV’s, maar voor artiesten die vanuit een ander perspectief iets te vertellen hebben.’ 

We bellen de storyteller als ze net is teruggekeerd uit het Oerolfestival in Terschelling. Ze bracht er haar live documentaire Aardappelbloed, waarvan het concept vorig jaar bekroond werd met de Roel Verniers Prijs voor jong podiumtalent. “We deden meer dan twintig voorstellingen. Het was nogal intens,” vat Lesuis nuchter samen. “Op TAZ doe ik weer iets helemaal anders. Lucas De Man vroeg of ik niet een club van kunstenaars met me mee wou brengen: nieuwe, interessante stemmen. En of we er dan niet gelijk een laatavondshow van konden maken? Zodoende ben ik nu een programma aan het maken voor vier dagen met talenten waarvan ik vind dat ze getoond moeten worden, als een soort afsluiter van de festivaldag.” 

Wie staat er allemaal op jouw lijst van geïnviteerden? 

“Ik noem ze woordkunstenaars, maar ze komen uit heel verschillende hoek: slam poets, schrijvers, dichters, singer-songwriters… Elke dag laten ze hun kunsten zien. En er zijn ook een paar vaste items in de show. Zo schrijft er telkens iemand een brief, bestemmeling vrij te kiezen. Briefschrijvers met dienst zijn onder andere Belgisch kampioene poetry slam Lisette Ma Nesa en historicus Heleen Debeuckelaere. In de rubriek ‘Handje Debutantje’ komt dan weer een debuterend schrijver langs.” 

“Elke show komt ook dichteres Astrid Haerens op mijn sofa zitten. Astrid vertolkt de stem van de Oostendenaar. Ze gaat iedere dag de stad in om een inwoner te interviewen of te portretteren via dichtvorm. Ik vind dat belangrijk, om die sense of place mee te geven met het publiek en de artiesten.” 

Waar heb je al die kunstenaars gevonden? 

“Ik ken heel wat mensen in Vlaanderen omdat ik zelf in Antwerpen gewoond en gestudeerd heb. Ik krijg ook hulp van Keltoum Belorf, die als dj MissyK plaatjes bij me komt draaien na elke show. En ik ben een samenwerking aangegaan met het Rotterdamse festival Motel Mozaïque. Dat is een tof, heel divers stadsfestival dat ook zijn thuis heeft in een havenstad. Die uitwisseling leek me hoe dan ook een fijn plan omdat deze editie van TAZ de culturele samenwerking tussen Vlaanderen en Nederland graag wil aanmoedigen.” 

Gaat de nadruk in jouw show liggen op amusement of engagement? 

“Oh, ik praat het allemaal aan elkaar en ik kan best fun zijn. (lacht) Maar er zit altijd wel een laagje onder. In elk geval maken we het op z’n Hollands gezellig. En verder moet het vooral mooi worden, een schone show, zoals jullie dat zeggen.” 

Het wordt sowieso een editie met veel engagement, toch? 

“Ja, maar ik probeer er niet óver te gaan in wat ik doe, het mag geen strijd worden. Het is gewoon zo dat er heel veel geëngageerde kunstenaars zijn, die verhalen hebben die echt verteld móeten worden. De danser Gil The Grid komt bijvoorbeeld bij me langs. Hij heeft een psychose gehad en verwerkt dat op een heel bijzondere manier in beweging. Die drive om echt iets kwijt te willen aan de wereld vind ik heel erg mooi bij een kunstenaar. De artiesten die ik meeneem, hebben dat allemaal wel in zich.” 

Heb je zelf nog een ei dat je graag kwijt zou willen? 

“Jawel, dat er volgens mij iets misgaat met het respect in de culturele sector. Hoeveel ben je waard als kunstenaar? Die vraag stel ik me regelmatig. En dan heb ik het niet enkel over wat je als artiest blijkbaar maar mag kosten aan een organisator of een overheid, maar ook over machtsverhouding. Soms lijk je als kunstenaar dankbaar te moeten zijn alleen al maar omdat je een podium krijgt. Dat is niet helemaal fair.” 

“En als ik nog iets anders wil tonen met mijn show, zonder het daarom zelfs expliciet te willen benoemen, dan is het dat de kunstsector nog altijd veel te wit en te homogeen is. Ik had vandaag nog een festival aan de lijn en hoorde dat alle sprekers die daar komen wit zijn. Dat kán gewoon niet meer. Die discussie wil ik zelfs niet meer voeren.” 

De docu’s die je draaide voor in Search of Democracy 3.0 – ook te zien op TAZ – hebben een duidelijk positieve toon. Moeten kunstenaars positief zijn? 

“Nee, dat vind ik niet. Ik denk dat juist uit negativiteit heel sterke dingen kunnen voortkomen. Veel jong werk dat op TAZ geprogrammeerd staat, is heel kritisch en niet zo vrolijk, maar wel erg boeiend en goed dat het verteld wordt.” 

In Search of Democracy is vooral een heel mooi, liefdevol project waarin de makers op zoek gaan naar ideeën om de rechtstaat op een andere manier vorm te geven. Dat positieve geluid heb ik in beeld willen vatten. Ik noem het trouwens zelf geen documentaires, maar afleveringen. Omdat ze echt mijn stempel dragen: het is mijn verhaal, door mijn ogen bekeken en met mijn stem verteld. Ik weet dat beeld heel manipulerend kan zijn, maar ook heel krachtig. En ik wil proberen die macht zo eerlijk mogelijk te gebruiken.” 

Rêverie zonder exit

Over ‘Through the looking-glass (and what we found there)’ 

‘STROBOSCOOP’ blokletteren de inkomdeuren van het zaaltje waar dadelijk een voltallig publiek plus een rijtje hoopvolle wachtenden – de stoeltjes staan dicht opeen, ze hebben geluk – naar binnen zullen gaan. Alsof dat flikkerlicht het meest verontrustende zal zijn van wat ze daarbinnen te zien gaan krijgen. 

Mispoes. Het lekt, plopt, smakt en suist op het podium, dat lang volzwart blijft. Dan titelt het centraal boven ons dat we de ondertiteling niet horen te lezen. We horen ze te horen, maar ook weer niet te luid: we zouden onszelf verraden, en waar zouden we dán zijn? 

“Ik heb niks nada gehoord,” zegt de ene Bastardo tegen de andere. Er duikt er nog één op uit het duister. Consternatie. Zo zijn ze met drie. Partikels van eenzelfde zelf of eenzaam losgeslagen zielen? De Bastardi gooien ons een paar eindjes toe waarvan we eerst menen dat we ze aan elkaar moeten knopen. Mispoes déjà-visie

Fascinerende scène is dat. “Ik had net een déjà-visie.” “Wooow. Ik ook.” “Net nu?” “Net nu ja. Ik had net een déjà-visie.” “Ik ook.” Hebben ze die chit-chat van daarnet nu niet écht gevoerd? Dat je dat inderdaad zou denken, “maar dat dat niet zo is”, bezweert Bastardo 1 tot enkele malen toe. “Dat dat nu net de definitie is van een déjà-visie.” De musketier – flamboyante hemdsblouse, geflipt charisma – houdt de armen haaks op elkaar, één hand blauw verpakt: een referentiekader met een hoek af. De pols van de vrouwelijke derde Bastardo zit vreemd kronkelend in een afvoerbuis. Nummer twee dwaalt rond in badjas, het zweet op het gezicht. Waanzin komt niet zelden in drie delen. 

Dat je in die waanzin begint te geloven, zit in de geestige absurditeit van de personages als ze dan maar hun eigen waarheid beginnen construeren (de historie van de Apple van het verderf), in het fysieke ongemak (“Houd uw pentakels bij!”) en dan toch onbewust in het verlangen (achter een dichtgeklapte helm). Het zelfgefixte mix-omatose-taaltje kostte ons wat inwerktijd. Al hielpen Lemonardo Di Cabrio en Kennedy (Kennedieni? Ik ken die!) ons uiteindelijk wel om “even wat voltage af te laten” in opbouw naar de grote verdwijntruc in deze zonderlinge rêverie. 

Try-out van een leven

Vooruitblik met Arne Sierens over Stuk van mijn leven

Eind vorig jaar verliet Arne Sierens zijn vaste stek bij Compagnie Cecilia, na er twaalf jaar artistiek leider te zijn geweest. De solo die hij nu op de planken brengt, ziet hij zelf als een scharnier naar een nieuwe fase in zijn theater. “Voor mij is ‘Stuk van mijn leven’ gewoon leuk nu, anders. Het is geen toneel, ik ben er ook geen acteur in, alleen maar mezelf.”

We hebben afgesproken na een try-out in Lokeren, enkele weken voor zijn komst naar TAZ. Hij wil me zichtbaar niet teleurstellen met mijn lijstje met vragen, maar zijn hoofd staat al naar zijn mensen op het terras. Of ik hem niet liever zou bellen, opper ik een paar keer, terwijl hij zijn materiaal op het podium bijeen raapt en terloops wat antwoorden geeft.

Hij zegt dan toch maar ja. “Het is wel maf”, bedenkt hij nog, een trede voor me uit de trap aflopend, “ik schrik me altijd te pletter hoeveel mensen in het publiek er al werk van mij gezien hebben. Laatst in Astene had twee derde zelfs al een stuk van mij gespeeld. Nadien hebben we nog uren zitten nababbelen. Daar kijk ik ook naar uit in Oostende.”

Twee weken later horen we elkaar terug. Hij is druk bezig met een nieuw project – iets over de brandweer – maar nu heeft hij tijd voor mij. Echt. Ik begin dat ik het mooi vond om te zien, hoe hij zelf nog zoekende was in dat Stuk van zijn leven. En of het ‘af’ gaat zijn in Oostende. “Nee, nooit”, klinkt het geamuseerd. “Elke keer verbeter ik dingen, ik kan blijven herschrijven. Daar in Lokeren ben ik ook weer van alles beginnen vertellen. Dat was niet voorzien, maar ik wil dat blijven doen: dingen spontaan naar boven laten komen. Ik vind dat grappig.”

Een tekst maken over jezelf geeft al snel iets van frustratie.


‘Stuk van mijn leven’ mist niet voor niets een lidwoord. Het is geen biografie op scène, eerder een vertelling van een reeks voetnoten. Beslissend wel, voor een leven en een carrière. “Ik kreeg altijd maar die vraag waarom ik nu eigenlijk theater ben beginnen maken”, vertelt Sierens. “Dit stuk, of noem het een performance, is daar zowat een antwoord op. Al kwam het idee eigenlijk niet van mij. Ik zat een tijd geleden met een vriend van me, de componist Jean-Yves Evrard, op café. Ik was maar aan het vertellen, de ene anekdote na de andere, en toen begon hij zo’n beetje te lachen en zei: doe dat een keer op scène. En ik: maar ik ben toch geen acteur. Daar moet je toch geen acteur voor zijn, zei hij. Vertel dat nu gewoon eens.”

“Ik heb dat dan op papier gezet”, luidt het eenvoudig. “Maar natuurlijk, ik heb dat gedaan zoals ik dat normaal gezien doe, voor het theater. Dat klopte niet, ik ben in dit stuk geen personage. Dus ik heb daar wreed mee zitten sukkelen. Een tekst maken over jezelf geeft al snel iets van frustratie. Ik heb dan Steven Mahieu gevraagd om mij wat te coachen, dat heb ik destijds ook voor zijn show gedaan. Hij heeft mij dan een doorloop laten doen. Toen ik klaar was, zei hij: vree goed, maar de helft mag je schrappen hoor (lacht).”

In de herziene versie 17.0 speelt, hoe kan het ook anders, de neergetrapte mens een hoofdrol. “Daar heb ik altijd een boontje voor gehad. Zelf ben ik het niet geworden, al hebben ze het wel geprobeerd. Ik kom uit een arbeiderswijk in Gent. Die achtergrond heeft mij gigantisch getekend, als mens en als artiest. Het heeft heel veel tijd gekost voor ik wist hoe ik er theater van kon maken. Daarover gaat mijn solo ook: hoe kom je als artiest op je spoor? Waarover ga je kunst maken? Uiteindelijk ben ik mijn invloeden ver gaan zoeken, tot in Japan. En dan toch ook heel dicht bij huis, bij Louis Paul Boon en bij theater Magie in Gent. Dat poppentoneel heeft me van mijn sokken geblazen toen ik zes jaar was. Ik ben thuisgekomen en heb gezegd: ik wil regisseur worden. Een paar jaar geleden heb ik er mijn dochter, ze was toen zeven, mee naartoe genomen. Na tien seconden wist ik: dit is wereldtheater, van het beste in zijn soort. Ik was als kind dan toch niet zo naïef.”

Een partituur van Stuk van mijn leven staat in het boek dat Sierens – vers van de drukpers – meebrengt naar Oostende, met foto’s van Kurt Van der Elst.

‘Het gaat er niet om wat ík wil vertellen.’

Interview met Kapinga Gysel – My Gift To You

“Dit ben ik. Dit is hoe ik mijn hart op tafel leg.” Toen de half Congolese Kapinga Gysel voorgoed in België kwam wonen, bracht ze iets van Afrika met zich mee: een voorstel van zichzelf dat ze zowat beschouwt als te nemen of te laten. De vrouwen die ze ontmoette in sociale kunstpraktijk kleinVerhaal kwamen met een soortgelijk geschenk. “Als passant ben je vrij om eraan voorbij te wandelen, of je kan het oprapen en in gesprek gaan.”

Aan podiumervaring geen gebrek bij Kapinga Gysel: ze was veertien jaar zangeres bij Zita Swoon, bracht een reeks sociaal artistieke jongerenprojecten op de planken en richtte in het Gentse het koor Mais quelle chanson op met kwetsbare kinderen. Onder een ‘volwassen’ theaterproductie had ze haar schouders nog niet gezet, maar “toen kleinVerhaal me vroeg of ik iets wou doen met een groep vrouwen die ze in hun werking ontmoetten, ben ik daar meteen op gesprongen”, klinkt het vanzelfsprekend. “Regisseren, dramaturgie en theater maken: het was allemaal een geweldig experiment voor mij.”

Hoe ben je aan dat experiment begonnen?

“Ik heb vooral heel veel gekeken, geluisterd en vragen gesteld. Dat is volgens mij de beste leerschool. De eerst twee maanden heb ik gewoon de deuren opengezet en iedereen vrij binnen en buiten laten lopen. Ik heb vrouwen ontmoet uit Syrië, Egypte, Peru, Marokko, Rusland en ook enkele Oostendse vrouwen. Ik wilde eerst de verhalen horen en zien wat er leefde. Voor mij ging het niet zozeer over wat ík wou vertellen, wel over het verhaal van die vrouwen zelf: dat verwoorden en al die verschillende identiteiten een stem geven, vond ik een heel boeiende kans.”

(c) Kathie Danneels

Wanneer kreeg het idee vaste vorm?

“Ik heb helemaal zelf mogen beslissen wat het zou worden en hoe ik het precies wou doen. Dat is gegaan met veel vallen en opstaan, maar de richting was wel al vrij snel duidelijk. De getuigenissen die in de groep werden gedeeld, grepen telkens weer terug naar wat de vrouwen in hun kinderjaren hadden meegemaakt. Die reflex zit blijkbaar in ieder van ons: onze herinneringen maken ons de mens die we vandaag zijn. Sommige verhalen waren vrolijk, andere heel pijnlijk. Niet iedereen vindt het bovendien even makkelijk om ze onder woorden te brengen, zeker niet op scène. Daarom heb ik ervoor gekozen om van My Gift To You een soundtrack van een kindertijd te maken.”

Wat moeten we begrijpen onder ‘soundtrack’?

“Moeilijke vraag, je moet vooral komen kijken (lacht)! We hebben geprobeerd om elke emotie ofwel in beelden, beweging of in liedjes te brengen en daar een vloeiend geheel van te maken. Trouwens, ik heb ervoor gekozen om niets te vertalen: het gaat er niet om of je een verhaal verstaat, wel over het gevoel dat het bij je losweekt. Tijdens de repetities was er een Russische vrouw die voor de groep een kindergedicht had voorbereid. Niemand verstond Russisch maar na het luisteren had iedereen tranen in de ogen. Dat gevoel heb ik willen vasthouden. Dat is ook wat we op scène willen brengen.”

Wat is ieders taak op het podium?

“Ikzelf ben er alleen om te ondersteunen en om de voorstelling leven in te blazen, samen met de muzikanten. We zijn met veel op het podium, in totaal doen er achttien vrouwen mee. Ik vind dat een mooie spiegel van de maatschappij. Het is ook dáár soms moeilijk om elkaar aan te voelen en terug te vinden. Dat vind ik een interessant aspect aan het samenleven, dat we elkaar niet altijd verstaan. Dat ongemak zit ook in de voorstelling. Juist omdat het zo dringend naar voren kwam in alle verhalen en bij al die vrouwen.”