Alle berichten door simonjbellens

De harmonie van oud en nieuw

Eric Sleichim over het concert ‘Stylus Fantasticus’ 

Componist Eric Sleichim zit op een zonovergoten terras een burrata met gegrilde groenten te eten. Ik herken hem niet meteen achter zijn grote zwarte zonnebril. Die is dan nog hoogstnodig, maar de schaduw zal onze tafel helemaal overgenomen hebben als ik twee-en-een-half uur later afscheid neem na een privaat mastercollege ‘Vroege barokmuziek en saxofoonarrangementen’. 

Schizofreen 

Vorig jaar vierden de saxofonen van Bl!ndman hun dertigste verjaardag. Oprichter Eric Sleichim begon in 1988 in de eerste plaats een zoektocht naar nieuwe klanken en speelmethoden voor de saxofoon. Hun programma bestond uit uitdagende hedendaagse muziek. “Ik ben verliefd geworden op de saxofoon dankzij de jazzmuziek,” zegt hij. “John Coltrane, Charlie Parker… Zij hebben een eigen stem heb. De saxofoon ligt zo dicht bij de menselijke stem dat het net zo persoonlijk wordt.” 

Een klassiek repertoire zwoer hij dan nog radicaal af. Hij behoort tot de generatie van Tachtigers, zoals Anne Teresa De Keersmaeker, Jan Fabre, Ivo Van Hove – met wie hij allemaal samenwerkte. Of beter: “het kot wilde afbreken”, zoals hij dat ooit noemde. “Ik hield van Bach en ik hield van sax, maar je moet dat niet vermengen, dacht ik. Voor mij belichtte het klassieke repertoire de saxofoon op een verkeerde manier. Ik hield van het schizofrene karakter ervan: qua morfologie is het een koperblazer, maar qua speelprincipe een houtblazer. Maar klassieke componisten willen de sax integreren in een orkest en verliezen zo dat persoonlijke stemgeluid.” 

‘Wij hadden een gelijkaardige openbaring als de monniken die engelen hoorden’ 

Sinds een aantal jaren is dat helemaal anders. “Na al het hedendaagse werk dat wij maakten, begonnen we de voeling te verliezen met de basisharmonie. Daarvoor is klassiek materiaal nodig. We begonnen daarom de koralen (kerkliederen, red.) van Bach te oefenen tijdens repetities. Die zijn op het zicht te lezen en ze zijn vierstemmig zoals een saxofoonkwartet.” 

In een interview lang geleden, nog voor de klassieke arrangementen, noemde je die oefeningen ‘helend’. Hoe bedoelde je dat? 

“Hedendaagse muziek is geweldig complex, zowel om naar te luisteren als om te spelen. Het gaat niet meer om tonale thema’s, maar om structuren en geluidsfrequenties. Als kwartet vorm je geen harmonieus geheel meer waarbij iemand een grondtoon, een ander een terts, een derde een kwint en de laatste een octaaf speelt. Wat je speelt, herkent het gehoor niet meer als een harmonie. Een legende gaat dat de monniken in de middeleeuwen octaven zongen tot iemand zich vergiste en in plaats van een octaaf een kwint zong. Plots hoorden ze andere stemmen, de engelen zogezegd. Waar of niet, wij hadden een gelijkaardige openbaring toen we de koralen oefenden. Het is echt een menselijke genoegdoening om die harmonie te bereiken.” 

Dj’en met de renaissance 

Die oefeningen begon het kwartet ook bij wijze van opwarming voor concerten te spelen. Organisatoren vroegen dan vaak of ze dat ook op het concert zouden spelen, goed wetende dat ze een hedendaags programma hadden. “Toen heb ik ook beseft dat die oude muziek dankzij de saxofoon een moderne perceptie kreeg. Dat was echt een geschenk voor de carrière van Bl!ndman.” 

Eric Sleichim © Niko Caignie

“Toen ging ik op zoek naar andere muziek en ontdekte de eerste polyfone muziek uit de tiende en elfde eeuw. Dat speel je nooit op het conservatorium, maar ik vond dat ongelooflijk modern klinken. Ik ging het combineren met elektronica en hedendaagse muziek en het publiek wist vaak niet wat nu de oude en de nieuwe muziek was. Ik vond het belangrijk om te doen, zowel voor de saxofoon als voor de muziek in het algemeen. Het was niet alleen een volledig nieuw repertoire voor de sax, maar ook een manier om een groter publiek voor hedendaagse muziek aan te boren.” 

Bevat het programma voor Stylus Fantasticus, de naam voor een zeer vrije speelvorm in de vroege barok, daarom – naast barokcomponisten als Bach en Buxtehude – ook hedendaagse muziek van Arvo Pärt en een bewerking van de zestiende-eeuwse renaissancecomponist Carlo Gesualdo? 

Stylus fantasticus is eigenlijk een verzamelnaam voor componisten die zich vanaf de zestiende eeuw hebben gepermitteerd om volledig vrij te spelen. Zonder thema, melodie of structuur. Net zoals jazzimprovisaties vandaag – alleen leiden die zelden tot composities. Dat heb ik altijd jammer gevonden.” 

“Je zou kunnen zeggen dat Dietrich Buxtehude (1637-1707) de climax van die beweging was. De jonge Bach wandelde zelfs van Arnstadt in Thüringen naar Lübeck in Noord-Duitsland om hem te horen spelen, ook al moest hij daarvoor spijbelen bij de kerk waar hij organist was. De traditie was dat de opvolger van de organist ook met zijn dochter trouwt, maar nadat Bach Buxtehudes dochter had gezien, zou hij toch zijn teruggekeerd. Van Buxtehudes orgelimprovisaties val je omver, dat is bijna free jazz.” 

“Gesualdo (1566-1613) zou je dan weer kunnen beschouwen als het begin van de stylus fantasticus. Hij staat aan de basis van die vrije muzikale attitude. Hij is tot het uiterste gegaan van de toen gehanteerde muziekregels in de modale muziek (volgens ‘modi’ of wijzen om hele en halve tonen te ordenen, red.). Hij respecteerde niet dat een thema neerdaalt op een vertrouwde toon en neemt een je mee naar oorden die je jezelf niet kan inbeelden. Alle grote componisten hebben regels aan hun laars gelapt en dat alleen maakt van jou geen grote componist, maar het is wel nodig om anders te gaan denken.” 

Bij Buxtehude speelt Sleichim tubax, een soort kleine contrabassaxofoon voor de lage tonen van het orgel – “heel je lichaam trilt mee, je maakt deel uit van de klankkast’ – maar bij Gesualdo bespeelt hij de elektronica. “Ongeveer drie jaar geleden dirigeerde Philippe Herreweghe het zesde madrigalenboek van Gesualdo op Collegium Vocale in Gent en ik kwam dronken uit dat concert. Daarop heb ik gevraagd of ik de opnames mocht gebruiken zoals in de stylus fantasticus. Ik heb een aantal madrigalen versneden en die ga ik ter plekke herorganiseren met elektronica. Onrespectvol gezegd: ik ga dj’en.” 

Hoe kaap je de goede hoop?

Drie lessen uit de ‘Avonden van Hoop’ 

‘Do we participate in a politics of cynicism or a politics of hope? (…) I’m not talking about blind optimism here (…). I’m talking about something more substantial. (…) It’s the hope of slaves sitting around a fire singing freedom songs, the hope of immigrants setting out for distant shores. (…) Hope in the face of difficulty. Hope in the face of uncertainty. The audacity of hope!’ 

Barack Obama beroerde de Verenigde Staten en de wereld toen hij in 2004 deze toespraak gaf. Sindsdien lijkt het alsof er van die dappere hoop nog maar weinig overblijft. “I don’t want you to be hopeful. I want you to panic,” sprak Greta Thunberg voor wereldleiders in Davos. Heeft de hoop in onze tijd van klimaatcrisis, globale ongelijkheid en populisme afgedaan? 

Vijf avonden lang nodigde curator Lucas De Man daarom telkens een theatergezelschap uit om een Avond van Hoop vorm te geven. Wij voeren erop uit om te kijken hoe Het Zuidelijk Toneel, Jong Gewei, ARSENAAL/LAZARUS & Nieuw Utrechts Toneel (NUT), Het nieuwstedelijk en Victoria Deluxe/Kopergietery hoop wilden opwekken en trokken drie lessen. 

Les 1: De jeugd ziet het somber in (maar is strijdvaardig) 

Twee avonden stonden in het teken van de jeugd. Jong Gewei, de jongerenwerking van het Gentse gezelschap Kloppend Hert, en de samenwerking tussen Victoria Deluxe, de Kopergietery en Eden-Charleroi creëerden beide een avond die ontstond uit pessimisme over ons tijdsgewricht. De uitdagingen zijn zo groot, de vooruitgang zo klein en de weerstand zo star dat hoop een wel erg naïeve houding lijkt. 

“Onze jonge spelers uit Gent, Brussel en Charleroi zijn vaak in moeilijke omstandigheden opgegroeid en ervaren zware discriminatie en ruw racisme als een dagelijkse realiteit,” duidt Dominique Willaert, artistiek leider van sociaal-artistieke werkplek Victoria Deluxe. Op scène vertelt de jonge Christian Makuta in plat West-Vlaams hoe hij naar de supermarkt in Poperinge gaat om een verjaardagstaart voor zijn moeder te kopen. Wanneer een oudere vrouw haar portefeuille niet meer vindt, beschuldigt ze meteen hem. Niemand die eraan twijfelt, ook de politie niet, die hem agressief verplicht zich uit te kleden. Als uiteindelijk blijkt dat de vergeetachtige dame haar portefeuille in de auto was vergeten, is er schaamte, maar geen verontschuldiging. 

Het is een scène die allesbehalve hoopvol stemt. Hoe vaak zijn we ons niet bewust van een probleem, maar moeten we vaststellen dat een collectief bewustzijn of een breed gedragen oplossing nog decennia op zich zal laten wachten? Het maakt hoopvol zijn tot een kwetsbaar en naïef gevoel. “De jongeren beleven een donkere tijd,” gaat Willaert verder. “Ze hebben weinig verbeelding over alternatieve samenlevingsmogelijkheden.” Maar dit pessimisme leidt wel tot activisme. “Uit pessimisme groeit een woede die superkrachtig is,” zegt Yaël weer. Ook de jongeren van Victoria Deluxe/Kopergietery roepen op tot strijdbaarheid. Zelfs als het lijkt alsof we te klein zijn om echte impact te maken, moeten we niet in doemdenken vervallen. Deze jongeren behoren tot de klimaatgeneratie, bijna allemaal kwamen ze voor het klimaat op straat. “Zie wat jij kan doen niet als een druppel op een hete plaat,” gaat de eindspeech van Victoria Deluxe, “maar als een druppel in een emmer die ooit zal overstromen.” 

Overigens sloot de net iets oudere Stefaan Van Brabandt van Het Zuidelijk Toneel zich aan bij de tijdsgeest van de jeugd: “Optimisme werkt uitstelgedrag in de hand, de kritische zin activeert meer,” verheft hij pessimisme tot een morele plicht. “Ik denk: het gaat slecht, maar het wordt beter.” We mogen ons aan een sombere, maar strijdvaardige tijd verwachten. 

Les 2: We willen zo graag hoop ervaren (maar het is vechten tegen de bierkaai) 

Het was elke avond drummen aan de ingang van de oude NMBS Loods waar de Avonden plaatsvonden. Vaak op zo’n nijdige manier dat je er hopeloos van werd. Maar blijkbaar willen we dus kost wat kost een greintje hoop ervaren. 

Dat is de paradox van de hoop: we willen graag hoop zien, maar we geven er bijna automatisch altijd een cynische draai aan. Als Greg Nottrot van het NUT aan de toeschouwers vraagt wat hen hoop geeft, antwoordt iemand: “De massale jongerenprotesten in Hong Kong!” “En ook hoe de politie ze neerslaat?” vraagt Nottrot ad rem en tot algemene hilariteit bij het publiek, betrapt in zijn naïviteit. Als Het nieuwstedelijk dan weer vraagt wie in het publiek zich schaamt om hoopvol te zijn, is de respons enorm. We hebben het verdomd moeilijk om ernstig en oprecht, en niet ironisch hoopvol te zijn. 

Is hopen vandaag vooral vechten tegen de bierkaai? Eigenlijk geloven we niet écht dat het goed komt, maar we willen wel doen alsof, ook al vervallen we dan in meligheid – of op z’n minst kwetsbaarheid en solidariteit. Tegelijkertijd ís dat ook precies hoop: net wanneer je denkt dat alles onmogelijk is, toch vastklampen aan de onzekerheid van de toekomst – het kan maar net wél goed komen. 

Met zijn ontroerende tekst nog in de hand speelt Günther Lesage (ARSENAAL/LAZARUS) de vrouw die tijdens de recente hittegolf zes dagen vastzat in een autowrak. In die situatie blijven volharden, wanneer alle redelijkheid is opgeschort: daar, dichtbij het ergste lijden, in het energetische gevoel dat het ondanks alle pijn tóch goed kan komen, daar ontstaat hoop. 

Les 3: De hoop zit naast je in de zaal 

Het publiek kreeg op de Avonden van Hoop dikwijls het eerste en laatste woord. Het Zuidelijk Toneel vroeg zijn toeschouwers om één vraag of inzicht over hoop op te schrijven (het grappigste voorbeeld: ‘Hoe kaap je de goede hoop?’) en bouwde daarop zijn voorstelling. Het nieuwstedelijk begon in samenzang en eindigde met een collectieve vragenronde. Bij ARSENAAL/LAZARUS en het NUT zetten drie schrijvers de hoop en het pessimisme van het publiek live in teksten om. De Avonden van Hoop draaiden om een gedeeld verlangen om hoopvol te zijn, een collectiviteit die misschien nog het meest tot hoop stemt. Zelfs als de Vlaamse bouwmeester Leo Van Broeck bij Het nieuwstedelijk een speech geeft over de ineenstorting van ons planetair ecosysteem, besluit hij nog met: “De hoop zit naast je in de zaal.” 

Bij Yaël van Jong Gewei klinkt het als volgt: “Als die pessimistische woede gedeeld wordt, krijg je een yes-gevoel.” “Niet de woede per se geeft hoop, maar het collectief,” zegt haar medespeelster Lore (25). Ook de jongeren van Victoria Deluxe/Kopergietery vinden steun bij elkaar, vertelt Willaert: “Er zijn geen grote ideologische verhalen meer, dus trekken ze zich op aan hun onmiddellijke leefwereld, aan elkaar. En aan humor, die ze gebruiken om zich van de realiteit af te zetten.” 

Het meest ontroerende moment valt aan het einde van de eerste avond, waarin elke toeschouwer anoniem één vraag of inzicht mag opschrijven. De spelers, onder wie Wim Helsen en Stefaan Van Brabandt, lezen ze op scène voor en proberen een antwoord te formuleren. Stand-up filosoof Laura van Dolron, die vaker dit soort liveconcepten opzoekt, voelt aan het eind van de avond dat ze de auteur van één anoniem briefje nog een antwoord verschuldigd is: “Hoe vind je veerkracht als je een kind hebt verloren?” Haar antwoord: “Dat je bent opgestaan en naar hier gekomen: veerkracht. Dat je deze vraag hebt opschreef: veerkracht. Dat je ze deelde met iedereen: veerkracht.” Terwijl het publiek na de voorstelling naar buiten druppelt, zien we hoe een vrouw en van Dolron elkaar omhelzen. 

Gilles Michiels & Simon J. Bellens

Komt het nog goed met de democratie?

Stichting Nieuwe Helden zoekt hoopvolle alternatieven 

Tijdens de Avond van Hoop van Arsenaal/Lazarus en het Nieuw Utrechts Toneel, vertelde acteur Willy Thomas over zijn bezoek aan het Zuid-Engelse dorpje Frome. Hij woonde er de plaatselijke gemeenteraad bij, die sinds 2015 alleen nog bestaat uit verkozenen van de partij Independents for Frome (ifF). Thomas zag hoe in een café-achtige setting aan elke tafel één schepen plaatsnam en de inwoners van Frome vrij aanschoven. Vervolgens leidde de burgemeester, elk jaar een andere, de vergadering. Over alle agendapunten spraken ze – emotioneel of wetenschappelijk gestaafd – tot niemand nog iets toe te voegen had. Op basis van die opmerkingen paste het college meteen de voorliggende decreten aan en legde ze aan het voltallige publiek ter stemming voor. In 2019 won ifF opnieuw alle zetels. 

Dit voorbeeld van lokale directe democratie waarbij iedereen zich gehoord voelt, stemt niet alleen hoopvol, het had net zo goed een tussenstop kunnen zijn in de reis die Stichting Nieuwe Helden maakte langs vernieuwende democratische initiatieven in Europa. Storyteller Emma Lesuis goot hun ontdekkingstocht in België, Nederland en IJsland in een driedelige documentaireserie, die dagelijks doorlopend in de lokettenzaal van De Grote Post te zien is. 

Lego 

Al decennia constateren politicologen dat het vertrouwen in de democratische instellingen blijft afnemen. Er zou een onoverbrugbare kloof tussen burger en politiek bestaan, met de opmars van autoritair en nationalistisch populisme tot gevolg. Stichting Nieuwe Helden vroeg zich daarom af hoe we de democratische structuren kunnen vormgeven zodat ze tegemoetkomen aan de nood aan een transparantere, krachtdadigere, toegankelijkere, ja, democratischere democratie. 

Ze werpen hun licht op bottom-up initiatieven die in Europa als paddenstoelen uit de grond schieten, zoals in Frome. In Nederland bedenkt design thinker Rudy Van Belkom een nieuw kiesstelsel met Lego-blokjes: nu kunnen we enkel op partijen stemmen en moeten we het hele partijprogramma voor lief nemen, maar hij ontwikkelde een kiessysteem waarbij je per thema een andere partij aanduidt. Liever wat linkser op milieu, beetje liberaal op onderwijs. Cherry-picking democratie, zou je het kunnen noemen, waarbij je zelf met bonte kleuren een Lego-toren bouwt. 

In Gent kunnen burgers sinds kort dan weer een deel van begroting zelf uitgeven. Online stemmen de stroppendragers voor projecten waaraan ze dit burgerbudget willen spenderen. Zo kwam er bijvoorbeeld de Geveltuinbrigade, een organisatie die verkommerde huisgevels opfleurt met planten. 

De IJslanders ging vooralsnog het verst in hun directe democratie, ze schreven een nieuwe grondwet. Nadat het land op de rand van het bankroet stond tijdens de financiële crisis, “was het alsof de IJslanders wakker werden uit een winterslaap”, zegt mensenrechtenadvocaat Katrín Oddsdóttir. In 2012 werden duizend mensen willekeurig geloot om één dag aan de nieuwe grondwet te werken. Vervolgens gingen specialisten aan de slag met dit denkwerk en werd er een grondwetsraad verkozen. In vier maanden was er een nieuwe grondwet, maar tot op heden is die nog niet geratificeerd. Het IJslandse parlement stemde tegen. 

Die verkrampte reactie van het parlement zet de kloof tussen burger en democratie op scherp. Maar het toont even goed hoe de democratie dan wel werkt: de oude en conservatieve Onafhankelijkheidspartij is na herhaaldelijke verkiezingen sinds het burgerproces nog steeds de grootste. Misschien vonden de burgers die bij de nieuwe grondwet betrokken waren het geweldig wat ze deden, maar het deel van de bevolking dat hierbij niet betrokken was, lijkt vooralsnog niet overtuigd. Er gaapt ook een kloof tussen wie wel en wie niet democratisch participeert. 

Giftige paddenstoelen 

Georges Casteur van de Oostendse burgerlijst Recht door Zee vertelt dat het inderdaad niet gemakkelijk is om alle burgers actiever te betrekken: “Het zal altijd maar een minderheid zijn die zijn nek uitsteekt.” Het probleem is dat Stichting Nieuwe Helden de implicaties hiervan voor de nieuwe democratische initiatieven zelf niet kritisch lijkt te bevragen. 

Wie neemt bijvoorbeeld deel aan de directe democratie? Zijn dat niet vooral hoogopgeleide mondige en digitaal vaardige mensen? Leidt dat niet net tot een nieuwe ongelijkheid? Als je een willekeurig geloot burgerparlement samenstelt, hoe zorg je dan dat wie niet deelneemt zich toch betrokken voelt? 

Manu Claeys, van de Antwerpse actiegroep stRaten-generaal, noemt de huidige representatieve democratie “lui, passief en gehandicapt”. Burgers willen meer dan om de vijf jaar kunnen stemmen. Maar hoeveel ‘meer’ is legitiem? Waar halen participatieve enthousiastelingen bijvoorbeeld het mandaat vandaan om de hele gemeentebegroting te beheren? Uit hun enthousiasme? 

Dit is geen uiting van conservatisme of van een radiaal ongeloof in nieuwe democratische mogelijkheden. En al helemaal niet om de impact van burgerinitiatieven te minimaliseren. Zoals Frome en voorbeelden uit de documentaires aantonen, kunnen ze zeer succesvol zijn. Maar, om de klassieke filosoof van de liberale democratie John Stuart Mill te parafraseren: de confrontatie met tegenargumenten dwingt je om je eigen argumenten te versterken en dat komt de waarheid alleen ten goede. Als we echt bezorgd zijn om de toekomst van onze democratie, laten we dan ook de nieuwe initiatieven kritisch benaderen. Er zitten misschien wel giftige paddenstoelen tussen. 

Stichting Nieuwe Helden wil in eerste instantie tonen welke kracht er van burger uitgaat om het heft in eigen handen te geven. Dat optimistisch verhaal stemt tot hoop, maar dat mag ons er niet van weerhouden om zelfkritisch te zijn. 

Ernstig, maar lang niet somber

Simone Milsdochter over haar ‘lecture performance’ 

2016, august. Flemish Belgian Dutch actor actress Simone Milsdochter. Photo: Johannes Vande Voorde

Als ik de koffiebar binnenloop waar ik met actrice Simone Milsdochter heb afgesproken, staat ze gezellig een praatje te maken met de barista. Het is hier haar buurt, vlakbij haar woonplaats. Nog net in de beslotenheid van haar intieme huiselijkheid, zou je kunnen zeggen en tot nu bleef haar nieuwste voorstelling daar ook. “What do you think of western civilization?” “I think it would be a good idea” – de titel is geleend van een apocriefe anekdote over het komische antwoord van Mahatma Ghandi op de weinig elegante vraag van een journalist – heeft ze tot nu één keer gespeeld. In een woonkamer, voor vrienden. Ze repeteert het dezer dagen luidop in de badkamer, in de keuken, terwijl ze de afwas doet. Haar vriend is haar klankbord. 

De voorstelling is dan ook de uitkomst van een uiterst persoonlijke denkoefening. Het begon bij de krant, de dagelijkse overvloed aan informatie over grote globale crisissen. “Ik merkte dat ik discussies vaak voerde op basis van talkshowclichés,” zegt Milsdochter. “Dat ergerde me. Want wat wist ik nu eigenlijk echt over het klimaat of over de islam of over ongelijkheid en armoede? Ik wilde mezelf opleggen om daar aandachtiger over na te denken. Niet voor een theoretisch traktaat, maar als een persoonlijke oefening. Ik ben in mijn eigen schoenen gaan staan.” 

Ze wilde met andere woorden haar eigen wortels ernstig nemen. “Wat betekent het die grote thema’s te benaderen als je bent opgegroeid in een mooi huis in Haarlem, in een liefdevol gezin, een culturele omgeving…? Ik ben gelukkig, maar ik heb vooral geluk gehad.” 

“Op een avond met veel wijn, ingezakt in de kussens, zei een vriend dat de westerse beschaving weleens een vergissing kon zijn geweest. Nu is heel mijn afkomst erop gericht dat de westerse cultuur en wetenschap staan voor alles wat goed is, maar ik begon dus weer in veronderstellingen te spreken. Toen dacht ik: nee, laat ik dit nu eens serieus nemen.” 

“Doorheen de geschiedenis waren er altijd beschavingen superieur aan andere en die vergaan ook weer, van het oude Egypte tot de Chinese dynastieën. Maar een superieure beschaving maakt van jou nog geen superieur mens. Bovendien is er een schaduwzijde aan onze welvaart: kolonisatie, uitbuiting, klimaatuitputting. Voor het eerst dreigt nu een beschaving niet ten onder te gaan door binnenlands gemor of buitenlands wapengekletter, de aarde zelf protesteert.” 

Soms verzucht Simone Mildochter lachend dat ze zoveel thema’s aanhaalt en dat ze geen idee heeft hoe ik er een verhaal van moet maken. “Dit zit allemaal niet letterlijk in het stuk,” verduidelijkt ze. “De voorstelling bestaat uit anekdotes, gesprekken die ik heb gehad, elementen uit mijn omgeving. Een vriend van me heeft bijvoorbeeld een nanny. Omdat hij haar werkgever is, zou je die relatie kunnen bekijken vanuit een hiërarchie. Maar ze spelen ook maar een rollenspelletje, ze weten dat hij niet écht superieur is aan haar. Dat genereert grotere vragen, die ik benader op mensenmaat.” 

Twee jaar geleden bracht je op Theater Aan Zee De wetten van de menselijke stupiditeit, naar het ironische essay van Carlo Cipolla. Dat heette toen ‘a kind of lecture performance’, nu laat je die ‘a kind of’ weg. Waarom? 

“Een lecture performance moet toch redelijk wetenschappelijk onderlegd zijn. En De wetten beroept zich op een soort semi-wetenschappelijkheid. Nu dacht ik: ik doe gewoon een echte lecture performance. Heel serieus. Toen was het nog met een grap en een grol, nu niet. Ik merkte dat het iets prettigs had om de mensen een uurtje terug te nemen naar het klaslokaal. Even indommelen, dat is niet erg. Het is een extra large TED talk.” 

Je meent het echt van die ernst, zie ik. 

“Ja, eigenlijk wel. Ik vreesde eerst dat er geen humor inzat, wel een paar herkenbare komische anekdotes, maar dat was het. Maar misschien was het wel tijd om deze denkoefening te maken. Dan ga ik de volgende keer wel weer op m’n hoofd staan en met zestien ballen jongleren. Zo’n lecture performance gaat terug naar de basis van wat ik ben: een verhalenverteller.” 

Alleen jij op het podium, met een mooie tafel en een mooie stoel. 

“Oh jawel, maar ik heb ook een groot doek gemaakt met kranten in papier-mâché en dat vervolgens met frescolithe wit geschilderd. Een wit vlak om opnieuw te kunnen beginnen. Dat doek hang ik achter me, ik word geruggensteund door het materiaal dat me aan het denken heeft gezet. Ik gebruik ook het vierde deel uit het zesde strijkkwartet van Beethoven omdat het zo’n mooi licht dansant stukje is. De componist Frederik Van de Moortel heeft dat op allerlei mogelijke manieren bewerkt en ik bedien met een controller die soundscape. Mijn vader zei altijd dat de hele westerse beschaving gerechtvaardigd werd door het simpele feit dat ze uiteindelijk Beethoven heeft voortgebracht.” 

Op welke reactie hoop je? 

Vastberaden en enthousiast stroopt Milsdochter haar mouwen op. “Zo…! Ik hoop dat ze gemotiveerd zijn om aan de slag te gaan en dat ik empathie genereer.” 

Ze lacht. “Of het wordt helemaal niets! Nee, ondanks de zware thema’s, ben ik ben heel optimistisch van aard. Er zijn zoveel mensen oplossingen aan het bedenken voor de toekomst. Mijn petekindje werd onlangs geselecteerd door SpaceX van Elon Musk om met studenten wereldwijd een vacuüm koker te ontwerpen waardoor je in anderhalf uur van Londen naar Parijs kan reizen. Dat is toch geweldig? Ik kreeg tranen in de ogen van dat optimisme.”

‘Ik denk niet dat de Fransen durven wat wij doen’

Comp. Marius speelt Les enfants du paradis 

In de creatieve werkplaats De Blikfabriek in Hoboken, op de site van een voormalige verpakkingsfabriek, zoek ik de leden van het Antwerpse theatergezelschap Comp. Marius. Ze repeteren er voor Les enfants du paradis, hun nieuwe voorstelling die op Theater Aan Zee in première gaat, maar ik kan hen niet meteen vinden. Tot ik door de kier van een zware metalen schuifdeur een groot magazijn inkijk. Ik zie de bekende, zelfgemaakte tribune van Comp. Marius en acteurs die door elkaar lopen. Op een bankje geven compagnieoprichters Waas Gramser en Kris Van Trier aanwijzingen. 

Les enfants du paradis is gebaseerd op de gelijknamige Franse film uit 1945. Daarin dingen vier minnaars uit de Parijse theaterwereld naar de hand van de beeldschone Garance. Franse filmrecensenten verkozen Les enfants tot de beste Franse film ooit, maar Gramser en Van Trier zijn niet overtuigd. “Ik vind het een oubollige film,” begint Gramser. “Je ziet dat er de hele tijd een regisseur voor gezeten heeft. Maar één scène vonden we heel modern: een acteur verschijnt in het theater en weigert de tekst van de regisseurs te spelen, omdat hij die te slecht vindt. We voelden ons verwant voelden met die autonome houding, dus zijn we het scenario gaan lezen. Pas toen ontdekten we hoe fantastisch de tekst is. Maar hij staat vol regieaanwijzingen, zo kan niemand op intuïtie spelen. Wij willen net uitgaan van de intelligentie van de acteurs.” 

“Ik heb geen theorie over wie mijn personage is,” zegt Bert Haelvoet, die de eigenwijze acteur speelt. “Ik probeer dat nu te ontdekken. De film heb ik niet gezien en misschien ga ik dat ook niet doen. Daardoor is het in mijn ogen geen film, maar een toneelstuk.” 

Gramser: “In maart en april hebben we het script doorgenomen en dan visualiseren we alles. Wat hebben we nodig om te spelen? Dat is de enige vraag die er dan toe doet. Nu hebben we twintig dagen om uit te proberen of het werkt wat we hebben bedacht. Als je weinig repetitietijd hebt, moet je supergoed voorbereid zijn.” 

Haelvoet: “Anders zijn er, denk ik, minimum acht weken nodig. Ik vind die snelheid een fijne manier van werken, want ik repeteer eigenlijk niet graag. Dus ik vind het heel goed dat dat maar twintig dagen duurt.” 

Gramser: “Wat we nu doen vind ik het vervelendste deel van het maakproces. Je zit de hele tijd met dat logge apparaat van negen mensen die allemaal iets moeten drinken, naar het wc gaan, op hun tenen getrapt zijn…” 

Haelvoet begint luid te lachen. Terwijl hij aan zijn elektronische sigaret lurkt, raakt Gramser nog meer op dreef: “Een veelkoppig monster dat je de hele tijd moet temmen – ik beperk dat liefst tot het minimum. Als je goed voorbereid bent, kan dat. De deal is duidelijk als je met ons werkt: wij verwachten een grote vorm van zelforganisatie en opperste concentratie bij spelers. Of je bent geïnspireerd, of niet. Ik ga in twee maanden niet meer inspiratie geven dan je al hebt. Voor mij gaat het om de autonomie en vrijheid in het moment van spelen. Het theater is een van de zeldzame plaatsen waar dat kan en als je repeteert, dan hypothekeer je de interactie met het publiek.” 

Comp. Marius staat bekend om zijn locatietheater. Op Theater Aan Zee spelen jullie op het dak van de Koninklijke Villa, nu een zorghotel en revalidatiecentrum. Waarom net daar? 

Haelvoet: “Je ziet niet dat het een dak is, het is een gigantisch grasveld op het dak en in de verte zie je de zee. Als het goed weer is en niet te veel waait, is dat ongelooflijk.” 

Gramser: “Als het stormt, wordt het vechten. We wilden graag in Oostende zelf spelen en niet ergens afgelegen. Het leuke aan Theater Aan Zee is net dat je deel uitmaakt van een geheel.” 

Door te spelen op locatie, is Comp. Marius zichzelf steeds meer als gastheer gaan zien. Ze ontvangen zelf hun publiek en voorzien een buffet van worsten en eieren op een toog achter de tribune. Gramser: “We wilden alleen eten in eigen afval. De worst in een darm, eieren in schil.” 

Ongeveer een jaar na de première op Theater Aan Zee volgt de Franse première in Lyon. Hoe denken jullie dat het Franse publiek zal reageren op jullie bewerking van hun cultureel erfgoed? 

Gramser: “Meestal worden we in Frankrijk beter ontvangen dan in België. Hier hebben we een beetje een abonnement op slechte recensies.” 

Haelvoet: “Ik denk niet dat de Fransen durven wat wij doen. Zij blijven trouwer aan hun traditie en pakken het klassieker aan. Maar als het lukt wat we doen, vinden ze het ongelooflijk.” 

© Joëlle Jolivet

Gramser: “Weinigen hebben het scenario van Jacques Prévert gelezen en dat eindigt helemaal anders dan de film. Er zitten bijvoorbeeld veel verwijzingen in naar Shakespeares Othello en een Joods personage is veel prominenter aanwezig. Het is een heel irritante figuur die voor een onverwachte wending zorgt. Maar die scène werd geschrapt.” 

Als ik later met de andere leden van Comp. Marius napraat op het terras van De Blikfabriek, gaat Kris Van Trier daar dieper op in: “De film was gedraaid tijdens de Tweede Wereldoorlog, maar na de bevrijding zat regisseur Marcel Carné gewrongen met die eindscène die totaal niet paste in de euforische sfeer. Dat Joodse personage zou bijvoorbeeld ook andere Joden aan de Duitsers hebben verklikt. Heel wrang. Hij bleef de première maar uitstellen, tot hij de scène uiteindelijk geschrapt heeft.” 

Gramser: “Ik vat Les enfants du paradis graag samen als een tekst over liefde en spelen. Vier mannen reageren elk op hun eigen manier op Garance, bij ons Clara Cleymans. Allemaal handelen ze vanuit een gebrek uit liefde en trekken ze een muur op. Ieder heeft vanuit zijn of haar verleden een ander soort mechanisme ontwikkeld om intimiteit uit de weg te gaan. Elke lezing die een verrijking vormt van dit verhaal is welkom, maar ik wil niet te veel nadruk leggen op de Jood, want dan vereng je de interpretatie. Ik wil niet actueel gevonden worden op die manier. Ik ga niet naar toneel om een les moraal te krijgen, maar om verbeelding en schoonheid te zijn. Ik wil de mensen geen spiegel voorhouden, ik wil een raam openzetten. De enige actualiteit die me interesseert is die van het moment van spelen.” 

Dit is een langere versie dan de versie in de papieren TAZette.

Alle Oostendenaars zijn gelijk, maar sommigen zijn gelijker dan anderen

Meewandelen in ‘The Village’ 

Terwijl ik in een stevige zeewind op de Baelskaai wandel met ‘Summer’s Here’ van Magnus in de koptelefoon, laat ik de Oostendse Vuurtorenwijk op me inwerken. De oude vissersbuurt, waar vroeger vanaf zes uur ’s ochtends verse vis werd verhandeld en de vissersnetten op de kade lagen, is vandaag een toonbeeld van gentrificatie. Naast oude vissershuizen en kleine bruine kroegen rijzen hoge modieuze appartementsblokken op. Ik passeer een chique en stijlvol Italiaans restaurant waar opgeklede mensen op dit middaguur een lunch nuttigen. 

De muziek komt van de interactieve app The Village, die me rondleidt op een wandeling door de buurt. “Oostende verkoopt zijn maritieme ziel aan projectontwikkelaars,” kopte VRT NWS naar aanleiding van de gemeenteraadsverkiezingen in oktober 2018. De Vuurtorenwijk symboliseert in het klein waar de theatrale tentoonstelling en audiowandeling om gaat: de ongelijkheid neemt wereldwijd toe en gentrificatie en technologische vooruitgang komen slechts ten goede van een bepaald segment van de samenleving. 

Geen dokter Brandon 

De wandeling begint met een doolhof door krantenknipsels over ongelijkheid. “Om een eerste indruk te krijgen van het onderzoek” word je geworpen in een ontzettende en verwarrende veelheid aan informatie. “Wat Vlaanderen niet gelukt is, kreeg Canada wel voor elkaar: in tien jaar tijd is het aantal kinderen in armoede gehalveerd (DS 28 februari 2019).” Maar ook: “VN: wereldwijde armoede gehalveerd (Trouw 2 juli 2012).” 

Stichting Nieuwe Helden kiest ervoor om niet te focussen op één soort ongelijkheid, zoals inkomensongelijkheid. Een van de verdiensten van de tentoonstelling is dat ze toont dat ongelijkheid breder gaat dan economische factoren. Er is veel aandacht voor emotionele stabiliteit, zoals het opgroeien in een stresssituatie of met een aandoening als autisme, of voor het belang van een goed sociaal netwerk. 

© Marcia van der Zwan

In verschillende nagebouwde houten huizen op een grasveld aan de kade, maak je kennis met Oostendske kinderen. Je hoort in welke omstandigheden ze opgroeien en welke dromen ze hebben. Genadeloos breekt dan de statistiek binnen: een econome berekent aan de hand van de stabiliteit thuis en op school, de financiële spankracht van de ouders, afkomst en andere factoren, de kans om zijn of haar dromen waar te maken. 

Brandon, elf jaar, wil graag dokter worden, maar heeft een grote taalachterstand omdat zijn ouders migreerden vanuit Libië en het Nederlands niet machtig zijn. Op school heeft hij veel vriendjes, maar onder meer omdat er niet genoeg geld is om hobby’s te nemen, blijven die vriendschappen oppervlakkig. Helaas, Brandon heeft een schamele veertien procent kans om zijn droom te bereiken. 

Vriendelijke vossen 

De Nieuwe Helden vragen zich daarop af of ongelijkheid genetisch ingebakken zit in de mens. Een expositie over Darwins evolutieleer toont een boeiend onderzoek waarbij wetenschappers vossen probeerden te domesticeren zoals honden. De wetenschappers ontdekten dat dit mogelijk was als je elke generatie de minst agressieve of vriendelijkste vossen selecteert om voort te planten. Net zoals de vossen, citeren de Nieuwe Helden evolutionair antropoloog Brian Hare, heeft de mens zich kunnen ontwikkelen dankzij zijn empathisch vermogen. De meest empathische lieden brachten de soort waar ze nu is. Het is de survival of the friendliest. 

De conclusie lijkt dat de welvaart op aarde steeds ongelijker verdeeld wordt door economische en politieke systemen, ondanks een oorspronkelijke menselijke empathie. We hebben dus nood aan empathische individuen, vriendelijke vossen, die zich met burgerlijke ongehoorzaamheid verzetten tegen de systemen. 

In een pikzwarte loods mondt die denkpiste uit in een persoonlijke aansporing. “Geloof jij dat er oplossingen zijn?” vraagt de app en somber als ik ben, gaf ik te kennen dat ik dat niet wist. Daarop valt een programma van politieke voorstellen — van de verhoging van de kinderbijslag voor de laagste inkomens tot het versterken van de vakbonden — letterlijk op een hoopje. Of dit me aanzet tot directe actie en burgerlijke ongehoorzaamheid, of me net overrompelt door de veelheid, weet ik niet. 

© Marcia van der Zwan

De tentoonstelling zoomt erg in op hoe ongelijkheid de onderlaag van de samenleving treft. Maar waarom moeten we ook als het muntje wel de goede kant uitvalt tegen ongelijkheid strijden, waarom is een gelijkere samenlevingen op zich wenselijk? Er zijn goede onderzoeken om die stelling te staven, zoals het boek The Spirit Level: Why More Equal Societies Almost Always Do Better van epidemiologen Richard Wilkinson en Kate Pickett, maar Stichting Nieuwe Helden lijkt vooral te appelleren aan een oorspronkelijke empathie. 

The Village promoveert een brede opvatting van ongelijkheid naar het hoogste schap van de politieke agenda en verschaft ankerpunten (in het bijzonder de huisjes van kinderdromen) om op een concrete en betrokken manier over ongelijkheid na te denken. Maar net doordat ze het thema opentrekken, is het niet altijd duidelijk welke politieke stappen nu prioriteit hebben, waarop we de strijd moeten richten. Dat hoeft geen probleem te zijn. Het is (nog net) geen politiek pamflet, het is theater. Ambiguïteit is geen ondeugd. 

‘Samen maken we iets groters dan onszelf’

Avond van Hoop door Jong Gewei (Kloppend Hert)

In tijden van polarisatie wil Lucas De Man zoveel mogelijk mensen met ‘goeie moed en energie’ injecteren. Daarom riep hij De Avonden van Hoopin het leven. Vijf gezelschappen – Het Zuidelijk Toneel, Kloppend Hert, Arsenaal/Lazarus, Het nieuwstedelijk en Victoria Deluxe/Kopergietery – nodigde hij uit om telkens een avond aan hoop te wijden.

Ik bezoek een van die wegbereiders van de hoop. Jong Gewei is een initiatief van het Gentse theatergezelschap Kloppend Hert, in samenwerking met de Vooruit, sociaal-artistiek huis De Vieze Gasten en de opleiding KASK Drama. “Wij willen een veilige haven zijn voor jongeren die vandaag ondervertegenwoordigd zijn in het Vlaamse theater, op het podium en in de zaal”, zegt Elise De Vos, productieleider van Kloppend Hert. “Vaak denken ze dat cultuurhuizen niets voor hen zijn, maar voor een gegoede elite. Bovendien hebben ze niet alleen angst om op een podium te staan, maar kortweg angst om te zijn. Ze denken dat er voor hen geen plaats is in de wereld. Door een plek te creëren waar ze kunnen experimenteren, kweken ze zelfvertrouwen en leren ze zichzelf en de theaterwereld kennen.”

Door de muren heen hoor ik de jongeren een bekende leuze scanderen: “On est plus chaud, plus chaud que le climat.” Het wordt een toonmoment vol jeugdig activisme, zoveel is zeker.

Hoopvol pessimistisch

Ik ontmoet hen aan het einde van hun eerste repetitiedag. Haider Al Timimi, regisseur en artistiek leider van Kloppend Hert, probeert de vrolijk drukke bende aan een lange tafel te krijgen. “Guys, guys,welk beeld gaan we maken?” Ze nemen plaats in een soort laatste avondmaal en houden een strakke pose aan. Al Timimi sleutelt aan hun armen en gelaatsuitdrukkingen. Aan dezelfde tafel wil ik later van hen weten wat ze onder hoop verstaan.

“De hoop waarmee wij werken, vertrekt vanuit pessimisme,” zegt Suzanne, tweeëntwintig jaar. “Uit pessimisme groeit een woede die superkrachtig is,” zegt de zeventienjarige Yaël. “Zeker als die woede gedeeld wordt, krijg je een yes-gevoel: ‘We gaan de handen in elkaar gaan slaan!’” Loreis vijfentwintig jaar en al een van de ouderen van Jong Gewei: “Niet de woede per se geeft hoop, maar het collectief.” “Als je jouw woede samen met anderen uit”, zegt Shushanik, vierentwintig, “dan creëer je hoop en kan activisme ontstaan. Denk maar aan de klimaatmarsen.”

“Als je woede deelt met anderen, creëer je hoop” (Yaël, 17)     

De jongeren van Jong Gewei behoren tot de klimaatgeneratie. Bijna allemaal liepen ze al mee in de klimaatmarsen. Maar de wetenschappelijke vooruitzichten over de klimaatcrisis zijn wel erg pessimistisch. Is dat geen hoop tegen beter weten in? Ze aarzelen: “Tricky question.” “Maar uit de kleinste kans ontstaat hoop,” zegt de negentienjarige Diego. Malik, ook negentien, gaat nog verder: “Er moet zelfs geen kans zijn om te hopen. Hoop hoeft voor mij niet reëel te zijn. Soms kan uit niets iets nieuws ontstaan, dat we nog niet verwachten.” Suzanne: “Ik denk ook dat er iets aan het veranderen is, zo geven winkels geen plastic zakjes meer. Dat wordt gedragen door die marsen.”

“Intens pessimisme kan ook verlammen. Hoe zorg je er dan voor dat je blijft hopen?” vraagt Lore zich af. “Ik denk dat je altijd een vertrouwenspersoon nodig hebt,” zegt Shushanik. “Iemand met wie je kunt babbelen.” “Krachtige figuren spelen een belangrijke rol,” vult Suzanne aan. “Zoals Greta Thunberg. Je kunt op hen vertrouwen en het zelf een beetje loslaten.” Maar loslaten associeert Yaël vooral met ongebreideld optimisme. “Alsof alles automatisch goed komt en je het aan andere mensen kan overlaten. Pessimisme impliceert ook dat je zelf iets moet doen. We moeten allemaal actievoeren.” “Wij willen in de voorstelling tonen dat je vanuit pessimisme hoop kunt creëren,” zegt de achttienjarige Juliette. “Verandering is mogelijk.”

Vriendelijke revolutie

Theater en activisme liggen voor hen duidelijk dicht bij elkaar. Zijn ze allemaal jonge revolutionairen? “Af en toe,” lacht Diego. “Vanbinnen ben ik revolutionair, maar vanbuiten blijf ik altijd rustig.” Yaël: “Ik geloof dat wat wij doen op het podium, iets in beweging kan zetten. De beste theaterstukken zijn voor mij de stukken die me doen nadenken op een manier zoals ik er nog niet over had nagedacht.” Suzanne: “Mijn meest revolutionaire kant is volgens mij dat ik in discussies, als ik het niet eens ben met iemand, supervriendelijk blijf uitleggen wat ik denk. Dat probeer ik consequent te doen.” “Je moet altijd open blijven voor wat die ander zegt,” voegt Yaël daar nog aan toe. “Een van de dingen die ik het hoopvolst vind, is dat je in discussies van elkaar bijleert, ook al was je het niet eens.”

De jongeren van Jong Gewei beginnen bij woede en pessimisme, maar hun energieke revolutie is er in de eerste plaats een van de vriendelijkheid. Ze zijn zelf een groep van diverse afkomst en overtuigingen. “Als we tonen dat wij kunnen samenwerken”, zegt Suzanne, “kunnen we zelf een voorbeeld zijn.’‘ “Wij zijn een titaan,” schetst Diego. “Zij is de voet, hij het hoofd, daar de arm. Wij maken samen iets groters dan onszelf.”