Alle berichten door stevenheene

‘In het begin waren we maar met vijf’

Ontmoeting tussen Rob en Heleen, vrijwilligers op TAZ 

Het is al vaker gezegd en geschreven, ook in deze kolommen: een festival als TAZ drijft op het grote enthousiasme van vrijwilligers. En ze zijn weer met velen dit jaar, meer dan vierhonderd and counting. Het is een community op zichzelf, zo lijkt het soms. Maar volgens Rob Storme (80), een van de veteranen op TAZ, is het juist belangrijk om “niet te veel samen te klitten”. Voor hem is het namelijk de ontmoeting die dit festival maakt tot wat het is. En dus brachten we Rob samen met Heleen (19), een studente geneeskunde en nu drie jaar TAZ-vrijwilliger. 

© Marcia van der Zwan

Heleen Ponette studeert in Leuven maar groeide op in Oostende. Ze leerde TAZ kennen als jonge deelnemer aan een workshop van Mu.ZEE, waarbij de deelnemers een prijs mochten uitreiken voor de mooiste voorstelling. Over de reden waarom ze zich drie jaar geleden, als 17-jarige, aanmeldde als vrijwilliger op dit festival, is ze kort en duidelijk: om theater te zien. Dus dat blijft een haalbare combinatie, werken en voorstellingen bekijken? Heleen: “Als je voldoende dagen opgeeft, is het zeker mogelijk om geregeld iets mee te pikken. Net als vorige jaren draai ik mee in het team voor de ticketing – tot en met het kaartjes scheuren aan de ingang. Dus ja, op die manier zit je als medewerker geregeld in een theaterzaal. Dat is fijn.” 

Rob luistert naar zijn jonge collega en laat direct zijn goedkeuring blijken. “Het is zó belangrijk om vroeg genoeg met kunst en cultuur in aanraking te komen. Ik heb zelf drie kinderen (een van zijn zonen is Klaas Storme, alias Zaza, de cartoonist, SH) en mijn vrouw en ik hebben altijd geprobeerd om die goesting en nieuwsgierigheid aan hen door te geven. Ik zal nooit vergeten dat we, toen ze nog heel klein waren, naar het Kröller-Müller Museum gingen in Nederland. Daar liepen toen ook heel kleine kinderen rond, maar spelenderwijs kregen zij wel mee wie welk schilderij had gemaakt. Dat levert op, he, op latere leeftijd. Jong geleerd is oud gedaan.” 

‘Het is zo belangrijk om vroeg met kunst in aanraking te komen’ (Rob)

Niet toevallig is Rob ook vrijwilliger bij De Grote Post. En was hij, als man met een missie inzake kunst en cultuur, jarenlang actief in het onderwijs. Met name in zijn thuisstad Oostende was hij een van de pioniers in het ontwikkelen van buitengewoon onderwijs. Maar hoe was het op TAZ in de woeste beginjaren, met name in 1997 en 1998? Rob was er immers bij vanaf de allereerste editie. “Toen waren we met vijf vrijwilligers, kun je je dat voorstellen? Indertijd waren er nog veel meer straatartiesten en parades, soms uit Frankrijk of Australië. Die eerste edities werden ook gefinancierd met budget van Toerisme, he, niet van Cultuur. Ik herinner me dat ik zo’n kleurrijke karavaan moest begeleiden op straat, van De Drie Gapers naar het Kursaal. Dat waren echt andere tijden. Luc Muylaert (artistiek leider van TAZ, SH) was toen verantwoordelijk voor klank en geluid, als een van de steunpilaren in de entourage van Marc Lybaert. Marc was toen nog docent aan het RITCS en is de oprichter van Theater Aan Zee.” 

Er volgt nog een reeks anekdotes over vervlogen edities; over het belang van het Familiepark, als opstap voor de allerkleinsten naar de podiumkunsten; over de tijd dat er nog ‘levende standbeelden’ in de winkelstraten van Oostende te zien waren, als onderdeel van het festival. Dat laatste duurde trouwens niet lang, “want elke stad begon dat te programmeren”. Rob pleit trouwens, behalve voor een lage drempel en een brug met het onderwijs, ook voor kwaliteit als criterium. Hij richt zich tot Heleen: “Jij studeert voor dokter, begrijp ik? Mag ik daar iets over zeggen? Zelfs bij dokters is het soms pover gesteld met hun kennis of liefde voor de kunst. Ik begrijp dat niet. TAZ is vandaag opnieuw te gast in het Kursaal met voorstellingen, maar het cultuuraanbod in deze stad is lange tijd heel laag geweest, he. Het enige wat volle zalen lokte was zoiets als de Chippendales. Toen zaten er ook dokters in de zaal, vermoed ik. Gelukkig is er nu De Grote Post met een interessant aanbod voor en na de festivalzomer.” 

Heeft Rob, als ancien, nog een gouden tip voor Heleen? Hij aarzelt geen seconde: “Blijven komen naar TAZ. Voortdoen. Volhouden! Het houdt een mens jong, alles wat er hier gebeurt. Ook die dagelijkse ontmoeting tussen generaties is gezond, mentaal en fysiek.” Ze glimlacht. “Beloofd. Dit jaar kan ik maar vier dagen meewerken, want ik organiseer ook een atletiekkamp in de zomer. Maar ik wil blijven komen, ja.” Wat? Cultuur én sport? Beter wordt het niet… 

Kouten over Pfeijffer en Europa

Die ochtend in de Leesclub

De croissants zijn nog warm. De koffiemachine reutelt. Het is gezellig druk tussen de vele honderden boeken in het Leeshuus. Mensen van respectabele leeftijd, zoals dat heet. Je moet het ook willen: een boompje opzetten over literatuur om 9 uur ’s morgens. Wie piekt er zo vroeg op de dag, fysiek en intellectueel? Geen twintigers of dertigers of veertigers, zo blijkt. En terwijl buiten grijze wolken de zon verhinderen om een stralend ochtendhumeur te etaleren, stapelen binnen de verwachtingen zich op voor de eerste Leesclub in een rij van tien.

“Heeft iedereen al koffie of thee gekregen? Ik zou willen beginnen,” zegt Els Snick. Samen met haar leesgezel Jos Geysels, minister van Staat maar in TAZ-kringen vooral bekend als ankerman tijdens vele jaren Uitgelezen Aan Zee, voert ze de nieuwe Leesclub aan. Snick heeft ervaring als docent en dat voel je: ze weet wat het is om haar doelgroep, die al dan niet nog wakker moet worden, vlotjes te activeren. “Ik ga eerst een fragment voorlezen en dan is het aan jullie.” Het fragment is afkomstig uit Grand Hotel Europavan Ilja Leonard Pfeijffer en gaat over ‘traditie omwille van de traditie’, over verleden en toekomst, over onze lange Europese ‘historie’ en over ‘de kracht van de Chinese chef’. Klinkt verwarrend? Dat is het ook een beetje voor wie de roman in kwestie nog niet heeft gelezen – zoals ondergetekende. Gaandeweg zal duidelijk worden dat er deze ochtend nog een aantal onbevooroordeelde aanwezigen is. Ter info: het boek (nog) niet gelezen hebben is hier zeker geen doodzonde; luisteren naar een collectieve boekbespreking prikkelt juist op een prettige manier je verbeelding. Het maakt vooral nieuws- en dus leesgierig. Maar participeren met argumenten is natuurlijk moeilijk of onmogelijk. En af en toe is er sprake van spoiler alert. Maar met een beetje geluk valt die spoiler samen met het gereutel van de koffiemachine en dan is er helemaal geen probleem. 

Intussen is ook de voorzet van Snick beantwoord met een eerste individuele lezersanalyse van een baardige meneer. Hij verwijst naar het ‘transcendente’ karakter van Pfeijffers magnum opusen de verschillen tussen een essay en ‘losse bedenkingen’. Het is 9u07 en je hoort de verzamelde hersenen in de boekhandel knetteren. Of kraken, dat kan ook. In deze Leesclub moet je je koffie en croissant verdienen, jazeker; wie kan beter? Even later wappert de mantel der liefde gelukkig als vanouds, met dank aan een dame die haar emotionele conclusie over de heer Ilja Leonard Pfeijffer maar meteen in de groep gooit: “Ik vergeef deze auteur alles. Het is een Bourgondische geest. Van een ander zou ik het niet pikken.” Haar laudatio krijgt bijval uit verschillende hoeken en het groepsgesprek kabbelt voort, over het verschil tussen toerisme en camouflagetoerisme – een mooi onderwerp in Oostende, stad aan zee – en de vergelijking met Thomas Mann en De Toverberg. Spoiler alert: Mann is nog altijd veel beter.

Het is, kortom, aangenaam ontwaken in ‘t Leeshuus. Intellectueel pieken mag – maar is niet verplicht. Zachtjes mijmeren is toegelaten. Zelfs zwijgen en knikken volstaan. En de liefde voor literatuur, fictie en non-fictie, neemt alleen maar toe. Allons-y, allen naar de Groentemarkt!