Alle berichten door theateraanzee

Eenheid in de verscheidenheid

Terugblik op tien dagen Jong Theater 

Programmatoren Mats Van Herreweghe en Oshin Albrecht toetsten afgelopen jaar voortdurend af wat Jong Werk op Theater Aan Zee is of kan zijn. Ze kozen elf stukken. Het is geen lijstje, geen best of, het zijn geen tips. De voorstellingen zijn gekozen omdat ze iets urgents te zeggen hebben, omdat er interessante vormkeuzes zijn gemaakt, omdat de stem van een bijzondere artiest doorklinkt. Het zijn verschillende stemmen en perspectieven die in het theater resoneren. 

In de TAZette van 8 augustus schreef programmator Mats Van Herreweghe een column waarin hij een aantal vragen opwerpt – vragen die zich aandienen bij het programmeren van Jong Werk en “het verbeelden van hoe kunst er in de toekomst kan uitzien”. Het zijn open vragen, waarbij we in onze bespreking van de voorstellingen van Jong Werk #2019 hierbij alvast een aanzet tot dialoog willen geven. Van Herreweghe vroeg zich in de eerste plaats immers af hoe we een plaats kunnen creëren waarbij niet alleen het resultaat maar ook het gesprek belangrijk is, met de bijkomende vraag: hoe we dat gesprek kunnen delen met een breed publiek. 

Twee voorstellingen die inhoudelijk hetzelfde thema aansnijden zijn Anne meets Jeffrey van theatermaker Emma Berendsen in samenwerking met Tiffany Murphy, en The Journey van Anna Luka da Silva. Beide gaan over verkrachting(en) die zij zelf meemaakten. Dat doen ze echter op een radicaal verschillende manier. Anne meets Jeffrey doet het via representatie, reconstructie en research van die traumatische ervaring. Op een vernuftige manier behelst de voorstelling een onderzoek naar hoe je een voorstelling kunt maken over je eigen verkrachting. The Journey vertrekt juist vanuit het fysieke. In de solo deelt Luka da Silva een herinnering die haar hoofd maar al te graag zou willen vergeten, iets wat haar lichaam echter niet lijkt te kunnen. Het laat niets aan de verbeelding over en juist dat doet de zenuwknoop achter de maag samentrekken. Beide theatermakers schuwden dit loodzware onderwerp niet en toonden in cultuurcentrum De Grote Post hun werk. Het zijn voorstellingen waarbij het publiek stil achterblijft. En het zich niet eens de vraag durft te stellen of het ene werk beter is dan het andere, omdat dit werk duidelijk moest gemaakt worden. Onontkoombaar en nietsontziend. 

En dan heb je de hete hangijzers. Nachten/Ballet De La Nuit van Benjamin Abel Meirhaeghe, Shiraz, tell me about the revolution? van Farbod Fathinejadfard en Against the wall van Paula Chaves zijn drie voorstellingen die interveniëren met de wereld om zich heen. In Nachten/Ballet De La Nuit is dat op een abstracte manier. Door het gelijknamige ballet van Louis XIV uit 1653 als inspiratiebron te nemen, doet Meirhaeghe een uitspraak over de huidige samenleving: de koning is de nar geworden. Door het weelderige spektakel doet hij indirect een uitspraak over Berlusconi of Trump. Farbod Fathinejadfard pakt het in Shiraz, tell me about the revolution? helemaal anders aan. Door een autobiografische zoektocht illustreert hij op complexe wijze hoe discoursen onze identiteit op een dwingende manier beïnvloeden. In 2018, op het moment dat Farbod de voorstelling maakte, had hij een aanvraag lopen om Belg te worden. Hij schotelt het publiek de vragen voor die hem vaak gesteld worden en toont op pertinente wijze zijn zoektocht naar de manier waarop iemands identiteit gevormd wordt. En ten slotte Against the wall van Paula Chaves. Het is een guerrilla-performance op zoek naar alternatieven. Ze wil de relatie tussen kunst, propaganda en het neoliberalisme in het Westen onthullen. Het is een sociaal spel met het publiek en bloedspannend. Het lijkt een strijd op leven en dood: een politiek manifest waarin journalistiek, activisme en dans met elkaar verbonden zijn. Theater als kunstvorm die zich bij uitstek verhoudt tot de context waarin ze gemaakt wordt. Niet als in een mal gegoten, maar in de zoektocht naar een manier om stelling in te nemen. 

Tussen al dat jonge geweld vonden we ook rasecht spelers- en teksttheater terug. Verbazingwekkend genoeg komen deze makers voornamelijk uit KASK Gent, een school die er nochtans minder om bekendstaat teksttheatermakers voort te brengen, want veeleer inzet op fysiek theater. Het gaat in dit geval om twee jonge bendes die met hun voorstellingen mikken op de kunst van het acteren mét tekst. Aan de ene kant waren daar Mats Vandroogenbroeck, Nona Demey Gallagher en Timo Sterckx die met Through the looking glass (and what we found there) voortborduren op het gelijknamige werk van de Britse schrijver Lewis Carroll. De absurdistische dialogen, die geschreven zijn in een soort bastaardtaal, worden gevoerd door bastardi in een soort bastaardwereld. De bastardi weten niet in welke wereld ze terechtgekomen zijn, waarom ze daar überhaupt zijn of hoe ze daar zijn beland. Mats Vandroogenbroeck, die de tekst verzorgde, toont zich hier weer (net zoals bij FAUST, een mechanische komedie) een schrijver die zich weet te verhouden tot literaire klassiekers. Bovendien zijn zijn schrijfsels telkens weer geïnformeerd door de postmoderne literatuur en cinema: zijn personages blijken zich elke keer in een soort huis clos of mise en abyme te bevinden, iets waaruit ze geen uitweg vinden. Hij creëert werelden die eeuwig naar zichzelf verwijzen. Zijn dialogen bezitten ook ontegensprekelijk een hilariteit zonder weerga. Diezelfde hilariteit keert terug in het spel. Het trio speelt voortreffelijk in die overtreffende trap: grootst. 

Aan de andere kant waren daar Imke Mol, Naomi van der Horst, Flor Van Severen en Mitch Van Landeghem, eveneens een groep van jonge spelers die zich verenigde rond een klassieke tekst. Bij deze kliek gaat het niet om een roman, maar wel om een theatertekst: Who’s Afraid of Virginia Woolf? van Edward Albee, een drama waarin het ideaalbeeld van het gelukkige gezin compleet aan diggelen wordt geslagen. Zij kozen er echter niet voor om in de overtreffende trap te spelen, maar zorgen er wel voor dat zij op een heel subtiele manier ‘in hun rollen glijden’. Waar hun KASK-collega’s constant op het gaspedaal duwen, zet deze club in op een geraffineerde opbouw van hun stuk die erop gericht is slechts gradueel te verglijden in een compleet fictieve wereld. Daardoor slaagt deze bende erin om het ingeleefde acteerspel als theatervorm opnieuw geloofwaardig te maken. Dat is echt een bijzondere prestatie. Wie had ooit gedacht dat iemand vandaag de dag zou zeggen: “Lang leve repertoire! Leve teksttheater!”? Beide acteursgroepen slaagden er alleszins in om het enthousiasme aan te wakkeren bij de redactie van de TAZette

Ook dansliefhebbers konden zich dit jaar verlustigen in de programmatie van Jong Werk, maar evengoed fans van circus en fysiek theater konden hun gading vinden. De twee dansvoorstellingen die deel uitmaakten van deze programmatie, À travers l’autre en Farmer Train Swirl – Étude, van respectievelijk de zussen van Les Mybalés en Cassiel Gaube, delen beide een grote affiniteit met de dansstijl house. Waar Gaube uitpakt met een choreografie waarin hij deze dansstijl met een scherpe, analytische blik benadert en dit onderzoek tot onderwerp van zijn voorstelling verheft, maakt deze dansstijl een subtieler deel uit van het rijke bewegingsregister van Les Mybalés. In À travers l’autre ligt de nadruk meer op het narratief van deze voorstelling: een verbeelding van wat het betekent om deel te zijn van een identieke tweeling (zie elders in deze TAZette). Deze dans was dus veeleer een uitdrukking van een zoektocht naar identiteit. 

Diezelfde thematiek kwamen we overigens ook tegen in Physical Proof, de voorstelling van Rino Sokol en Hernán Mancebo Martinez. De identiteit die in dit stukje fysiek theater centraal staat, is die van zichzelf ontplooiende man. Via beweging en improvisatie trachten Sokol en Mancebo Martinez hun onderlinge relatie als speler op scherp te stellen voor het publiek. Maar het gaat ook over de man tout court, als onderwerp, over de man in de bloei van zijn leven. 

Een buitenbeentje dit jaar was de in situ voorstelling The Hangman Radioshow van The Hangman Radioshow. Deze circus-radio-performance speelde zich buiten af, bij zonsondergang op het domein Raversijde. Maar niet alleen dat feit maakte dit collectief tot een buitenbeentje: de combinatie van verschillende media, alsook de poëtische insteek, was ongezien in andere voorstellingen. In deze hybride performance luisterden we naar een radio waarop iemand vertelde een fascinatie te koesteren voor ‘obsolete technologie’. Via technologie werd gezocht naar verbinding met de hemel, de kosmos en de verre toekomst. The Hangman Radioshow bracht ons in vervoering en maakte verbindingen die we nooit eerder hadden gemaakt. 

Elke Huybrechts & Xandry van den Besselaar

HET WAS AAN… Oshin Albrecht

HET WAS AAN…
OSHIN ALBRECHT


Dear all,

It’s almost time
to say goodbye to my glamourous hotel life.

‘Hollywood’ engraved in a facade
is the first word I see when I look out of my window.

Glory and decay.

And, finally, the rain has come, after days of many false weather forecasts.

Drops falling on the pavement forming circles. My head is a sieve, filtering thoughts on ‘now’ and possible futures.

Where am I? Who am I? Who and what constitutes a ‘we’? Where do I/we wish to go?

We don’t have to go in the same direction, you see.

Artist, curator, performer, co-creator, painter, person, lover, friend.

Acting in my name.
A name which sounds more exotic than I can possibly be. A merchant’s daughter. I have been.
Inscribing my name in an environment, structure, ideology and by doing so finding ideas and ways to create space within it.
A moment and place that is certainly not ‘ideal’ has the power to set us in motion. To create an openness, a possibility to transform.

Who supports who and how to be many? Not at once, but in different moments in time.

Giving space and taking up space. Atoms crystallize and fall apart.

I wish for us all and for all of us to wish

for a later that is just beginning

all of the time

Oshin



Oshin Albrecht was gastprogrammator Jong Theater op deze editie.

Credits
Illustratie: Janice Feryn

HET WAS AAN… Jos GEysels

HET WAS AAN…
JOS GEYSELS

Het is stil op de schoongeveegde Café Koer als wij de door de koks versgebakken croissants afhalen voor de Leesclub van 9 uur. Dat is vroeg, maar sommige lezers groeten graag ’s morgens de dingen.
Enkele uren geleden was de Koer nog de town of the talk: voorstellingen worden geëvalueerd en optredens druk besproken. Het weer wordt unaniem goedgekeurd en honderden kussen, drankjetons en berichten uitgewisseld. Er ruist van alles door het struikgewas.  
Nu zwijgen de nachtbrakers en praten de nachtwakers. Het publiek in ’t Leeshuus is klaarwakker.  Toch is het er rustig, vroege lezers praten zacht.

“Soms is het beter afstand te nemen van het lawaai in de wereld om het geluid van de samenleving beter te horen,” zei de Amerikaanse schrijver Jonathan Franzen ooit. Ik kan hem volgen. Een mens heeft pauzes nodig. Rustige plaatsen. Niet elke actie vraagt om een onmiddellijke reactie. “Verwar reflex niet met reflectie,” zei schrijver Walter van den Broeck me eens. Het ene is een onwillekeurige reactie waarbij het ruggenmerg belangrijk is; bij de andere zijn de hersenen aan het werk. Goeie reflexen zorgen ervoor dat we onze hand niet verbranden, een goeie reflectie dat we bedachtzaam reageren. Rustpunten geven onze hersencellen zuurstof.
Als mens gaan zitten zonder je verstand buiten werking te zetten. Even tot stilstand te komen, terwijl je geest volop fantaseert. Dat is wat lezen met je doet.
En de lezer, die kon de voorbije tien dagen in allerlei vormen en op allerlei plekken praten met en luisteren naar auteurs en andere lezers, op en naast het podium.

Toch blijft het moeilijk om ‘s avonds op tijd van Café Koer te verdwijnen. Drukte kan voor een uitmuntende vorm van sfeerbeheer zorgen. Drukte kan deugd doen. En uiteraard is de nacht nog jong. Maar morgenvroeg knetteren de letteren weer. En daar heeft een mens met te veel geruis in zijn hoofd het de volgende dag wel eens moeilijk mee.


Jos Geysels is Minister van Staat, lettervreter, bestuurder van TAZ en nog veel meer. Deze editie was hij programmator van het (non-)fictieprogramma, samen met Luc Muylaert.

Credits
Illustratie: Janice Feryn

HET WAS AAN… Lucas De Man

HET WAS AAN…
LUCAS DE MAN


Toen ik vorig jaar rondliep op TAZ, tijdens de sterke editie met Barbara Raes als centrale gast, had ik twee doelstellingen voor mezelf geformuleerd.

  1. Ik wou meer inhoudelijke pers. Daarmee bedoel ik dat ik wou dat het thema meer inhoudelijk besproken zou worden in de media.
  2. Ik wou nog meer diversiteit in bezoekers, artiesten, vormen, plekken en invalshoeken. Ik wou laten zien dat er veel meer soorten theater en podium bestaan dan enkel toneel, dans en de traditionele labels. Ik wou graag meer mensen uit zowel het bedrijfsleven als het middenveld als de welzijnssector tussen het reeds bestaande publiek. En ik wou dat er veel meer artiesten met een niet typische Vlaamse naam waren zonder dat dat een onderwerp hoefde te zijn.

Nu, vlak voor het einde van het festival kan ik met trots zeggen dat de inspanningen van het hele TAZ-team, de gastcuratoren Emma Lesuis en Oshin Albrecht, alle leden van Stichting Nieuwe Helden en de vele, vele organisaties en vrijwilligers die met ons meewerken, hun vruchten hebben afgeworpen. De slogan het is aan jou, mij, ons hebben we met 650 mensen gevormd op het strand van Oostende. Het filmpje werd massaal gedeeld op sociale media, met meer dan 40.000 views, en was op regionaal en nationaal nieuws te zien. Daarnaast hebben we onze eigen Knack gemaakt en hebben alle kranten mooie, inhoudelijke artikels en interviews gepubliceerd. Dank aan de media.

Daarnaast ben ik ontzettend blij dat er zo ontzettend veel mensen waren, en dat uit alle geledingen van de samenleving. TAZ is een plek van ontmoeting, bezinning, verdieping en beroering en dat hebben we dit jaar meer dan ooit uitgedragen.

Tien dagen lang hebben we met alle medewerkers, makers, vrijwilligers, sponsors en steuners geprobeerd het publiek te raken, te laten nadenken, te activeren, hoop, troost en energie te geven… Het grootst mogelijke compliment dat we kunnen krijgen, is dat dat gelukt is. En dat is het.

Dank aan iedereen.

En al mijn liefs en steun aan de volgende curator, Caroline.

Lucas De Man was inspirator en gastcurator voor deze editie van TAZ.

Credits
Illustratie: Janice Feryn

De vrouw van de herfst

FMDO presenteert gedichten van nieuwkomers in ‘DiVerzen’

I am a woman of autumn!

My books are flying in the wind.
I gather the maps of cities around myself…
I forget the serenity of flowers in my hands.
I search for a green tree to write a poem for it. The void is opening doors for me…
Only half an hour is ample for me to change my Borders.

I am a woman of soil!

My apron smells like apples.
All these trees and orchards
Are our mothers.
Just like a child, I fly from one dream to another.
I like the morning coffee and those pictures hanging On walls…

I swear to the old windows that I will decorate my Body with a new return.

I am a woman of pain!

I carve out my wail on a shut window… I close in a hanging mountain.
Closed doors don’t expect anybody.
I suffer from a fever caused by Random places. And places are getting Tighter on me.

Walls are collapsing before my eyes.
The veins of night are drying out
In my memory, one by one.
I am a woman from the Mediterranean! I flee the war of death.

I leave behind ancient roads…
And the way we knocked on doors, on Holiday mornings.
I leave behind children candies and empty houses…
I only take a net of dreams and four sides of my heart.
I drown in an inch of water…this water is washing off my voice. At the bottom of the sea, I count my breaths.

Evin Shikaki


Evin Shikaki is afkomstig uit Koerdistan en schreef dit gedicht in het kader van DiVerzen, een poëzieworkshop die plaatsvond in Oostende, Kortrijk en Brussel, voor deelnemers met diverse achtergronden. In een organisatie van FMDO, in samenwerking met Unie der Zorgelozen, kleinVerhaal, AFIIP, onder artistieke coördinatie van Bart Jaques. Met de steun van het Vlaams Fonds voor de Letteren en de Koning Boudewijnstichting. Van de vele gedichten in meerdere talen wordt een selectie gemaakt die binnenkort als publicatie verschijnt: DiVerzen, Poezie en verhalen in alle talen. Meer info op www.FMDO.be

HET IS AAN… Selm Wenselaers

HET IS AAN…
SELM WENSELAERS

Hoop is het omarmen van het onbekende. Het zijn de woorden van de Amerikaanse schrijfster Rebecca Solnit. Als je wilt dat er iets verandert, dan is hoop het begin. Je mag woedend zijn op de werkelijkheid, maar wees niet blind voor de complexiteit ervan.

Deze editie van Theater Aan Zee ademt hoop. Het festival begon met een belangrijk stuk van Wouter Hillaert in rekto:verso. In “De smalle portemonnee van Theater Aan Zee” fileert hij met veel precisie en liefde het kunstenveld en dit festival. Het moet anders, maar door de inkijk die artistiek leider Luc Muylaert en zakelijk leider Hans Rabaey van TAZ geven, kunnen we begrijpen welke moeilijke evenwichtsoefening zij elk jaar opnieuw maken. Die transparantie voelt als een keerpunt. Het maakt een nieuw gesprek mogelijk – voorbij het cynisme dat steeds meer de bovenhand kreeg.

Ook al wordt ze niet altijd correct verloond, de jonge generatie podiumkunstenaars draagt op haar manier hoop uit. Brandend actuele thema’s als migratie en seksueel geweld worden aangesneden en in alle complexiteit getoond. Er wordt verbeeld en gespeeld zoals het al jaren niet meer gezien is. 

Hoop is overal op TAZ aanwezig. Curator Lucas De Man organiseerde Avonden van Hoop en schreef mee aan “de meest hoopvolle Knack ooit”. Programmator Mats Van Herreweghe schetste gisteren op deze plek in de TAZette enkele utopische ideeën. Maandag was er de zogenaamde ‘sectordag’ waarop de cultuurwerkers gezamenlijk nadachten over een hoopvolle toekomst. En wat te zeggen over de vele vrijwilligers die zich jaar na jaar belangeloos inzetten, of het publiek dat steeds weer het experiment omarmt?

Hoop wordt vaak verward met optimisme. Net als pessimisme is het een vorm van zekerheid over de toekomst. De toekomst is onzeker, enkel dat is zeker. Wat ons rest is hoop.

Selm Wenselaers is dramaturg en conservator en is een van de mentoren voor Jong Werk op TAZ.

Illustratie: Janice Feryn

HET IS AAN… Mats Van Herreweghe

HET IS AAN…
MATS VAN HERREWEGHE


Beste lezer,

Bezig zijn met ‘jong werk’ betekent voor een deel: bezig zijn met verbeelden hoe kunst er in de toekomst kan uitzien. Sta me daarom toe om een aantal van mijn utopische ideeën voor het Jong Werk op TAZ aan jullie te introduceren.
Jong Werk zou een plaats moeten zijn waar diverse artistieke praktijken-in-evolutie zich met elkaar verbinden, waarin op zoek wordt gegaan naar duurzame manieren van samenwerken en waarin nieuwe/radicale/utopische/poëtische verbeeldingen worden gecreëerd.
De manier waarop het Jong Werk nu is vormgegeven, waarbij iedereen op een eigen locatie eigen werk presenteert, is daarom nog niet helemaal toereikend.
Nu het einde van het festival stilaan aan de horizon verschijnt, lijkt me daarom een aantal open vragen aan de orde:

1. Hoe creëren we een plaats waarbij niet alleen het resultaat maar ook het gesprek belangrijk is? Een architectuur die ervoor zorgt dat de één niet beter is dan de ander, maar waarbij we er allemaal met elkaar en voor elkaar zijn?
2. Hoe delen we dat gesprek met een breed publiek?
3. Hoe kunnen jonge kunstenaars meer verantwoordelijkheid krijgen in keuzes en artistieke beslissingen die in de eerste plaats hén aanbelangen?
4. Hoe zorgen we van bij het begin voor een gezond ecosysteem tussen jonge kunstenaars, de mid career generatie en ouder?
5. Moeten we in die zin niet nadenken over een nieuwe naam voor het label ‘Jong Werk’? Bestaat er geen breed toegankelijk synoniem voor praktijken ‘in transitie’?

Terwijl ik deze vragen opschrijf, zit ik in een park te kijken naar kinderen, pubers en – in mijn verbeelding – ook naar volwassenen en ouderen die op een uit touwen geweven klimtuig aan het spelen zijn. ’t Is zo’n tuig dat we samen moeten bouwen, iets waar we kunnen aan bouwen en wat we kunnen ombouwen. Als een uitnodiging om te spelen.

Zomerse groeten,
Mats


Illustratie: Janice Feryn

HET IS AAN… Khadija El Kharraz Alami

HET IS AAN…
KHADIJA EL KHARRAZ ALAMI

Wat als ‘de norm’ zich dienstbaar en nieuwsgierig zou opstellen? En bijvoorbeeld stage zou lopen bij jonge makers, onafhankelijke kunstenaars, vrouwen… Minderheden die langzaam maar zeker een meerderheid vormen, maar die nog te weinig op bepaalde machtsposities zitten om het verschil te kunnen maken. Minderheden die ons allen een duwtje zouden kunnen geven in de richting van een gezond, professioneel en inclusief werkveld.

Met ‘de norm’ bedoel ik de maatstaf die nog steeds wit en man is.

Of zijn er inmiddels bewegingen geweest die deze constatering of definitie van de norm onderuit kunnen halen? Graag! Ik ervaar namelijk nog steeds, als onafhankelijk kunstenaar, dat zowel mannen als vrouwen – onbewust of bewust, in hun onvermogen? – hun macht en privileges niet bevragen maar nog steeds als vanzelfsprekend lijken te nemen. 

Ik heb stage gelopen in de horeca. In de dienstverlenende sector. Een marketing stage. Een kijkstage bij een groot regisseur. Een andere stage bij een andere grote regisseur waar ik een van tien stagiaires was die samen een koor vormden in een voorstelling die door Nederland toerde. Ik heb veel geleerd van stage lopen. Onder andere wat de verhoudingen zijn. Wat de eenzijdigheid van de norm is en wat hij te bieden heeft. En ik heb me leren aanpassen, mijn rol te accepteren en mijn mond te houden – want ik was de stagiaire, jong en dienstbaar.

De rol van stagiaire gun ik ook het orgaan van dit festival. Loop stage bij nieuwe makers, onafhankelijke kunstenaars, mensen van verschillende sociale klasse. Schrijf een motivatiebrief en stel je open, naïef en nieuwsgierig op, in een poging je kaders te verbreden en andere gewoonten en gebruiken te leren kennen. Ik ben ervan overtuigd dat de volgende editie inclusief, gelaagd, betrokken en feestelijk zal zijn, zodra ‘de norm’ de stap zet om bescheidener te zijn. Om te willen leren door de kaders van de groeiende minderheden te ervaren.

Credits
Illustratie: Janice Feryn

ZEEWIER IS GOED VOOR U

Maar zelfbediening uit de zee is verboden 

Zoals beloofd, nog een Goed Idee uit de Knack-special die Lucas De Man initieerde voor deze editie. Met 100 ideeen voor een betere wereld. Op nummer 31 staat: EET WIER. Als in: produceer zo veel mogelijk lokaal. In het artikel komt Mark Kulsdom aan het woord, een voormalig dierenrechtenactivist die vandaag een hamburgerrestaurant uitbaat in Amsterdam, met hamburgers van zeewier. Nu is zeewier uiteraard niet nieuw als ingrediënt, ook niet tussen een broodje. Het deed ons denken aan een brief van dichter en auteur Maarten Inghels, die vorig jaar was uitgenodigd als spreker op het event Gezocht: voedsel voor de toekomst

LIEFSTE VOEDSEL VAN DE TOEKOMST,
LIEFSTE DUURZAAM OPGEGROEIDE ZALM VAN DE TOEKOMST,
LIEFSTE ZEEWIERBURGER VAN DE TOEKOMST,
LIEFSTE KOMBUCHACOCKTAIL VAN DE TOEKOMST, 

Recent ben ik hevig verliefd geworden op het werk van de Franse filmmaakster Agnès Varda. In haar meesterwerk Les Glaneurs et La Glaneuse gaat Agnès Varda op zoek naar mensen die oogstrestanten op het veld rapen, dumpster divers, scharrelaars, voddenrapers, kortom, mensen die leven van de tafelresten van de maatschappij. We zien Agnès Varda mee aardappelen verzamelen die niet voldoen aan de strenge supermarkteisen. Dat wil zeggen: knotsgekke knollen die groter dan tien centimeter (!) zijn, dan wel kleiner dan vijf centimeter. Tonnen buitenmaatse groenten worden in enorme bergen op akkers gedumpt. 

Wat later wandelt Varda mee met een jonge Michelin-chef die elke ochtend de heuvels inloopt op zoek naar kruiden en fruit, een handvol wildplukkers in uitgedroogde wijngaarden en een man die achtergelaten groenten van de markt opraapt en ’s avonds taalles doceert in het asielcentrum. Want achter elk gezicht zit een veel langer verhaal verscholen. Aan het einde van de film heeft Agnès Varda afdoende aangetoond dat ook zij een glaneuse van gevonden ontmoetingen en gestolen beelden is en smeedt ze de losse eindjes van verhalen aan elkaar. 

Het is eind augustus, en na het bekijken van Les Glaneurs et La Glaneuse loop ik in de avondzon enkele kilometers tussen de gouden akkers, drukbereden door boeren op enorme maaidorsers. Ik ben op weg naar zee, de Golf de Morbihan aan de Bretoense kust. Bij laagtij wemelt het hier van de strandjutters die met kromme rug over het slib gebogen staan. 

Volgens een oude Franse wet heb je het recht om de overblijfselen van oogsten te rapen en voor eigen gebruik aan te wenden of door te verkopen. Volgens een andere oude Franse wet heb je het recht om een emmer oesters en honderd palourdes of kokkels per persoon of gezin te rapen, of grofweg gezegd: zoveel als je in één etmaal kan opeten. Ik herinner mij de oude Franse wet waarbij het is toegestaan om in elk bos brandhout te sprokkelen om in je levensonderhoud te voorzien. Leve oude halfvergeten Franse wetten! 

Ik ga op mijn hurken in de branding zitten en wroet met mijn handen in het zand. Het is de kunst om stenen van kokkels te onderscheiden, en met wat geluk heb je na een uur een dozijn nonnetjes die je thuis met een scheut witte wijn gaar stoomt. Bovendien leerde ik in de workshop ‘Zeewieren’ een alg herkennen die als kort mos onderaan keien groeit en smaakt naar peper, zout en look — die kan mee in de pan. “Une delicatesse,” zei de gids bij elk blad spinazie uit de zee. 

Het spannendst is om met keukenzout langs de piepkleine brievenbusgleufjes in het slijk te lopen. Op elk gaatje strooi ik zout waarna ik wacht tot het weekdier tevoorschijn komt. Na een dertigtal seconden schiet het scheermes als een drietrapsraket uit het gaatje omdat het denkt dat de vloed opkomt: eerst glijdt de zwartroze schelp omhoog, vervolgens verschijnt het lijfje, en als je de beweeglijke asperge met zijn huisje uit de grond trekt, werpt die zijn kopje als een projectiel af. 

Ik heb altijd al een flaneur of een glaneur willen zijn, maar volgens Francis Kerckhof, marien bioloog van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen, ben ik een ‘strandrover’. Nadat twee mensen emmers vol slakken van de golfbreker in Oostende hadden geplukt, laat Kerckhof in De Standaard (13/08/18) optekenen: “We zien het steeds vaker: het massaal wegplukken van wat je in de natuur kunt vinden. Dat gaat van paddenstoelen plukken in het bos tot strandkrabben of schaalhoorns aan onze kust. Het is een beetje een hype: eten wat je vindt in de natuur, topchefs promoten dat al een tijdje. Maar het mag niet. De kust leegroven is even goed stroperij.” 

Het Vlaams Instituut voor de Zee bevestigt de trend en stipuleert dat je volgens de Stedelijke Verordening van de stad Oostende een vergunning van het Vlaamse Gewest nodig hebt om ‘zeeproducten’ mee te nemen. 

Geef mij dan maar een oude Franse wet. 

Maarten Inghels

De volledige brief vindt u op https://www.voedselvoordetoekomst.be/. Zie ook: https://www.inghels.com/

HET IS AAN… Emma Lesuis

HET IS AAN… EMMA LESUIS

“Alles voor de kunst.” Ze zegt het alsof de zin al is voorgevormd in haar mond. In haar hand een Dark ‘n Carly, om haar nek een KBC-koordje. De rode konen verraden dat het een lange dag is geweest. Net zoals gisteren, de dagen daarvoor en de dagen die zullen komen. Haar naam is Eva en ze is voor het eerst vrijwilliger op TAZ. Een maand lang. En niet zomaar een: de net afgestudeerde Theaterwetenschapper is productieverantwoordelijke bij de literaire programma’s. Hard werken. Slim. Sociaal. De functie past de Gentse zoals de Dark ‘n Carly past op dit moment. “Vrijwillig?!” Muziekkunstenaar Michelle Samba is net aangekomen uit Groningen en staat met een lege Berry Rumble in haar hand. Eva knikt alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. “Iedereen, he. Maar allez, ik krijg wel betaald, hoor. Vijfentwintig euro per dag.” Michelle blijft stil. Roert haar rietje door de resterende ijsblokjes en slurpt de laatste restjes framboos op. “Die is goe, he!” Een bekende van Eva komt aangewaaid en wijst naar Carly. Opgewonden pingpongt ze met Eva over vrij-willigen. Ze doet de techniek, in het weekend, doordeweeks gewoon werken… “Eigenlijk zijn jullie op kamp,” breek ik in. Ze lachen. Niet uitlachen, nee een oprechte lach. “Inderdaad. Het is een soort van kamp.” Ze glunderen. Ik denk aan de scoutscultuur van België. In die rode konen zitten sfeer, verbondenheid en liefde verstopt. Wat een neoliberale gedachte om arbeid altijd maar in te wisselen voor munten. Samen straffe herinneringen maken aan de kust. Weet je nog? Toen we die ene Carly te veel dronken? Het is tijd voor Eva’s sigaret. “Morgenochtend neem ik koeken mee,” knipoogt ze. “Ben je gek,” zeg ik. “Jawel, ik doe toch de productie?” Alles voor de kunst.

Illustratie: Janice Feryn