Dat geeft de burger moed

‘In Search of Democracy 3.0’ is een opwekkend spel 

De democratie roept ons vanuit een raam aan de overkant van de straat tegemoet als we de zaal buitenkomen: ‘Hé trut, hoe is ’t met jou? Theater Aan Zee, jawadde. ’t Is hier ál Theater Aan Zee.’ Gastheer Lucas De Man heeft zojuist de voorstelling afgesloten met de vraag: wie voelt zich vanavond niet gezien of gehoord? We hebben een kandidaat. 

Het schuurt wel meteen over de wonde: wie verzamelt er op een late dinsdagavond zoal bij de Kunstencampus om in gesprek te gaan over de democratie? We zien studenten en hoogbejaarde dames, ernstige veertigers naast montere zestigers en godzijdank ook een paar trosjes kleur. Een divers publiek dus. Ergens weten we natuurlijk beter: dit zijn mensen met een stem. Misschien twijfelen ze nog of ze die vanavond gaan gebruiken – ook mensen met een stem moeten nu en dan een drempel over. Maar ze hebben in het programmablaadje gelezen ‘interactieve liveperformance’ en ze zijn hier. Dat zegt genoeg. 

Bij het binnenkomen krijgen we een kleurenkaart. Groen, rood, blauw. We hebben de keuze om niet te weten of niet te kiezen. Niet erg dapper, wel comfortabel. Ook de moderatoren doen alvast hun uiterste innemende best om ons op het gemak te stellen. Vier geestige, charmante mensen die ons voorstellen om samen op zoek te gaan naar onze gemeenschappelijke horizon. Hoe zouden we kunnen weigeren. “Wie zijn wij en wat hebben we wel of niet met de democratie?” Dat mogen we om te beginnen in anderhalve minuut aan onze buur proberen uit te leggen. 

Het publieke verslag ervan geeft meteen aanzet tot wat debat. Een koppel heeft het gehad over de baten van stemplicht versus stemrecht en was het niet noodzakelijk met elkaar eens. “Dat stemplicht wel degelijk belangrijk is,” pikt een dame op de bovengelegen rij beslist in. “Jongeren zijn vaak niet geïnteresseerd in de democratie,” oppert ze. “Zo denken ze er tenminste over na.” Een meneer wat verderop vindt iets anders: stemplicht geeft aanleiding tot meer proteststemmen. “Dat in Nederland het tegendeel bewezen is,” pareert De Man. Geen gemaar, punt aan de lijn. Orde moet er zijn. 

(c) Moon Saris

Het gaat vooruit in deze onderzoeksperformance. We krijgen een aantal cijfers. Over hoe de verschillende nationaliteiten in Europa denken over het belang van de democratie en van sterke leiders. Over hoe die percentages zich verhouden tot leeftijd en het verloop van de tijd. Conclusie: de democratie is niet eeuwigdurend of vanzelfsprekend. We moeten eraan werken, net zoals aan een liefdesrelatie. Wat de sterke en zwakke punten zijn van die relatie, daarover zullen de makers de komende drie jaar onderzoek doen over heel Europa. Met onze hulp. Wat we zeggen is van belang – dat geeft de burger moed. 

We mogen eerst onze schoolkennis etaleren over de beginselen van de democratie, met behulp van een tijdlijn. Onze aandacht piekt als het discours een sprong maakt van het ‘wie en wanneer’ naar het ‘hoe’. Bijvoorbeeld wanneer even wordt aangeraakt hoe de oorspronkelijke inwoners van Australië omgingen met de vraagstukken in hun manier van samenleven. Daar willen we meer over horen. Maar voor creatieve oplossingen moeten we nog even geduld oefenen. En werken. Eerst gaan we het met elkaar hebben over de essentiële onderdelen van de democratie: wat vinden we écht belangrijk en wat willen we al dan niet veranderen? 

In geen tijd zit zowat iedereen met de hand omhoog. Dat is een verdienste, zelfs met een publiek dat bovengemiddeld onderlegd is in het palaveren over deze of gene kwestie. Mij komen alvast spontaan de talloze vergaderingen, denk-, focus-, participatie- of andere rondetafelgroepen voor de geest waarin ik, en mijn lotgenoten met mij, liever de vloer van het lokaal was gaan vegen dan een klinker te moeten uitbrengen. Kijk en leer. Aan niemand in het bijzonder. 

Het is absoluut een opwekkend spel om aan deel te nemen. Er worden boeiende dingen gezegd, zeker ook omdat we de gezichten zien die erbij horen. Niet heel verrassend: extreme meningen blijven uit. Goed en wel beschouwd zijn ook afwijkende opinies gering. We zitten attent op onze stoel als een lobbyist naar voren mag komen om te vertellen dat geld niet altijd de foute kwestie dient. Voor het eerst horen we spontaan gejoel. Dat de tijd er niet is om met de man uit te wijden, begrijpen we: the show must go on. Maar het had ons wel benieuwd. En we vragen ons stilletjes af welke wezenlijke inzichten dit onderzoek over drie jaar zal opleveren als het niet dieper kan spitten dan een vrij eenvoudig behaalde consensus. 

Op die bedenking anticiperen de makers zelf door te stellen dat “democratie niet gaat over nadenken of leren, je moet het doen”. We krijgen daarvoor een paar concrete ideeën mee. Daar steken we wat van op. “Ja, natuurlijk,” denken we een paar keer. “Daar moeten we inderdaad iets mee doen.” Uit het animo waarmee het publiek na de performance uit elkaar gaat, maken we op dat anderen er hetzelfde over denken. Nu alleen nog even kijken hoe we dat allemaal gaan inplannen. 

Op zoek naar verbinding

Over ‘The Hangman Radioshow’ (Jong Werk) 

Het is een eindje fietsen. The Hangman Radioshow van het gelijknamig collectief, bestaande uit Camille Paycha, Noortje Sanders en Thijs Veerman, speelt tussen de bunkers in Raversijde. Maar laat dat u niet tegenhouden. Terwijl de zon ondergaat en een prachtig zicht verschaft, klinken de krekels steeds luider. Het vormt het idyllisch decor van The Hangman Radioshow. Over technologische vooruitgang, menselijk verval en de duizelingwekkende oneindigheid van het heelal. 

Met een jonge jenever of een thee in de hand worden we gevraagd om nog even te wachten. “Voor een optimale ervaring van de voorstelling” moet het namelijk donker zijn. Als het begint te schemeren, volgen we de performers met een transistorradio in onze hand langs een route waarop technologie sciencefiction lijkt te worden en een dansend lichaam net een hemellichaam lijkt. Tijdens de route worden we onderhouden door Sanders koddige stem. Ze maakt radio. Niet via het internet, maar old school: voor wie de frequentie in kwestie kan ontvangen. Voor ons dus. Een enkele keer klinkt er plots pink noise, of een popnummer van een plaatselijk radiostation, en moeten we handmatig de juiste korte-golf terugvinden – op zoek naar de juiste verbinding. 

Sanders zit op een duintop en blijkt daar een improvisatorisch radiostation te bewonen. Ze neemt ons mee naar haar pubertijd, naar de walkman om precies te zijn. Op zich niet zo gek, ware het niet dat dit voorval zich in 2009 afspeelt. Ze heeft altijd al “een vreemd verlangen naar obsolete technologie” heeft gehad. Misschien komt dat verlangen voort uit het gevoel dat de techniek ons in toenemende mate van de wereld om ons heen vervreemdt? We communiceren alleen nog via de interface van onze computers, tablets en gsm’s. “Langzaam maar zeker verandert alles in magische, zwarte doosjes.” 

Even verderop hangt circusartiest Paycha aan linten in een torenhoge driepoot. Het is aardedonker nu. Volledig in het wit en met slechts een klein lampje op haar hoofd zien we Paycha klimmen, draaien, kolken en vallen in de linten. In het minieme licht wordt telkens slechts een deel van haar ledematen verlicht. En terwijl Sanders vertelt over de spaceshuttle Voyager I Probe, doet het fascinerende schouwspel denken aan het bewegen van de hemellichamen rond de aarde. We horen fragmenten van de Voyager Golden Record, het zijn grammofoonopnames die NASA in 1977 mee de ruimte instuurde. Opnames die de mensheid moesten samenvatten voor buitenaards leven. Opnames die de mensheid, als de aarde over biljoenen jaren ophoudt te bestaan, zo vertelt Sanders, zullen overleven. 

De dans van Paycha, de poëtische overpeinzingen van Sanders en de mooie beelden van scenograaf Thijs Veerman bieden ruimte voor eigen associaties. Toch hangen de verschillende onderdelen nogal losjes aan elkaar, waardoor niet duidelijk wordt waar het in The Hangman Radioshow daadwerkelijk om gaat. Of toch? Misschien is het juist de zoektocht naar verbinding. Misschien keek iemand tijdens de fietstocht terug naar Oostende even naar de hemel, waar de grammofoonopnames nog altijd zweven, en voelde hij zich plots niet meer alleen. Wie weet. 

Studie ter bevordering van emancipatie

‘Farmer Train Swirl – Étude’ is ode aan ‘house’ 

Met Farmer Train Swirl – Étude brengt Cassiel Gaube een innemende ode aan house. De farmer, de train en de swirl waarnaar de voorstelling vernoemd is, zijn danspassen die kenmerkend zijn voor dit genre. In zijn transparante solo geeft Gaube het publiek inzage in de geschiedenis, de techniciteit en de schoonheid van deze dansstijl. 

Bij aanvang van de voorstelling verschijnt Gaube in joggingbroek op scène en spreekt zijn publiek toe. Wat we te zien zullen krijgen, is het resultaat van een onderzoek naar house. Hij vertelt dat de dansstijl in de jaren tachtig ontstond in clubs te Chicago en New York, als een afgeleide van hiphop. Hij legde zich in Parijs en Chicago ter voorbereiding van het stuk toe op deze stijl en probeerde die zich ook eigen te maken. Op onze stoelen vinden we een A3-blad terug waarop de choreografie die hij zal brengen, gemapt is. Alle danspassen die aan bod zullen komen staan er schematisch op weergegeven. Er hoort zelfs een legende bij, waaruit afgeleid kan worden dat Gaube verschillende registers zal opentrekken. House wordt afgewisseld met hiphop, zelf bedachte danspassen, signature steps en variaties op bestaande passen. Gaube nodigt op die manier zijn publiek uit om samen met hem een analytische bril op te zetten, om via de ‘map’ schakeringen in het genre te ontwaren. 

Daarmee zet Gaube de krijtlijnen uit van Farmer Train Swirl: het is een étude. In de muziek wordt deze term gebruikt om een oefenstuk aan te duiden dat gespeeld wordt ter verbetering van de techniek van de muzikant. De stukken zijn dus per definitie niet bedoeld als materiaal voor een concert. Toch zijn er in de muziekgeschiedenis wel enkele études aan te duiden die bekendheid hebben verworven als concertstuk. Voor Farmer Train Swirl geldt hetzelfde principe: het is een weergave van zijn studie naar de taal van house, een stijl die hem technisch uitdaagt als danser. Want bij house wordt er bijvoorbeeld sterk ingezet op bliksemsnel voetenwerk en golvende bewegingen waarbij alle ledematen gebruikt worden. Vervolgens presenteert Gaube zijn étude bij wijze van statement als een volwaardige choreografie op scène, wat op zich geen vreemde parallel is aangezien house vaak gezien wordt als een urban dansstijl die niet ontstaan is voor op een podium. 

Dit gebeurt allemaal in volledige transparantie. We lijken ons in een repetitiezaal te bevinden, een volledig witte speelvloer ontdaan van alle attributen. Terwijl Gaube zijn passen omvormt tot één langgerekte, spiraalvormige dansfrase, volgt het publiek hetzelfde traject als de danser: van leek tot ingewijde, van onkunde naar kunde. Datzelfde groeiproces wordt bovendien gereflecteerd in het gebruik van muziek tijdens deze voorstelling. Aanvankelijk danst Gaube zonder muziek – we horen enkel zijn ademhaling. Pas tegen het einde van de voorstelling schalt er dan toch een nummer door de boxen. Het lijkt het punt te markeren waarop wij, de toeschouwers en Gaube, eindelijk het punt bereikt hebben waarop we de mechanismen beginnen door te hebben, waardoor we vrijer kunnen kijken/dansen en er ons compleet aan kunnen overgeven. Alles vloeit nu beter. Waar Gaube in het begin met zijn ‘map’ tracht de blik van de toeschouwer te choreograferen, kunnen we na een tijdje loskomen van deze opsomming van danspassen om met meer kennis naar de voorstelling te kijken. Heel slim is dat: hoe Gaube zijn eigen leerproces in het genrel terugkaatst naar de toeschouwer. Farmer Train Swirl is in al zijn geledingen een boeiende studie ter bevordering van de emancipatie. 

HET IS AAN… Selm Wenselaers

HET IS AAN…
SELM WENSELAERS

Hoop is het omarmen van het onbekende. Het zijn de woorden van de Amerikaanse schrijfster Rebecca Solnit. Als je wilt dat er iets verandert, dan is hoop het begin. Je mag woedend zijn op de werkelijkheid, maar wees niet blind voor de complexiteit ervan.

Deze editie van Theater Aan Zee ademt hoop. Het festival begon met een belangrijk stuk van Wouter Hillaert in rekto:verso. In “De smalle portemonnee van Theater Aan Zee” fileert hij met veel precisie en liefde het kunstenveld en dit festival. Het moet anders, maar door de inkijk die artistiek leider Luc Muylaert en zakelijk leider Hans Rabaey van TAZ geven, kunnen we begrijpen welke moeilijke evenwichtsoefening zij elk jaar opnieuw maken. Die transparantie voelt als een keerpunt. Het maakt een nieuw gesprek mogelijk – voorbij het cynisme dat steeds meer de bovenhand kreeg.

Ook al wordt ze niet altijd correct verloond, de jonge generatie podiumkunstenaars draagt op haar manier hoop uit. Brandend actuele thema’s als migratie en seksueel geweld worden aangesneden en in alle complexiteit getoond. Er wordt verbeeld en gespeeld zoals het al jaren niet meer gezien is. 

Hoop is overal op TAZ aanwezig. Curator Lucas De Man organiseerde Avonden van Hoop en schreef mee aan “de meest hoopvolle Knack ooit”. Programmator Mats Van Herreweghe schetste gisteren op deze plek in de TAZette enkele utopische ideeën. Maandag was er de zogenaamde ‘sectordag’ waarop de cultuurwerkers gezamenlijk nadachten over een hoopvolle toekomst. En wat te zeggen over de vele vrijwilligers die zich jaar na jaar belangeloos inzetten, of het publiek dat steeds weer het experiment omarmt?

Hoop wordt vaak verward met optimisme. Net als pessimisme is het een vorm van zekerheid over de toekomst. De toekomst is onzeker, enkel dat is zeker. Wat ons rest is hoop.

Selm Wenselaers is dramaturg en conservator en is een van de mentoren voor Jong Werk op TAZ.

Illustratie: Janice Feryn

Onderweg naar De Vervelende Bus

Impressie van een wandeling door het Familiepark 

We weten dat ze bestaan, maar ze worden allengs een bedreigde soort: dagjesgasten die geen flauw idee hebben van wat er deze dagen te beleven valt in Oostende. ‘Theater Aan Zee? Nooit van gehoord,’ aldus Saab en Hamaz. We vergeven de jongens hun onschuld en trekken met goed vertrouwen het Leopoldpark in, dat ook dit jaar door TAZ weer is omgedoopt tot het Familiepark. 

Op naar de Tent Op De Berg dus, want daar speelt En Braaf zijn! van Villanella. Driewerf helaas. Een acteur van het gezelschap komt melden – het zweet op zijn bovenlip – dat de voorstelling een half uurtje vertraging heeft opgelopen. Technische problemen. Kan de beste overkomen, denken we dan, en de rij aanschuivende ouders met ons. Niet getreurd, vlakbij staat Ell Circo D’ell Fuego met een acrobatische opstelling van klimtuigen. “Wij komen elk jaar naar het Familiepark met de kindjes,” vertelt Griet, die toekijkt hoe haar dochtertje aan de trapeze wordt gelift. “Wat we de afgelopen dagen al voor moois gezien hebben? Meneer beer en de woeste wolven (Theater Tieret en WALRUS, red.) vonden we prachtig, met veel muziek. De Stadsboerin van Lady Angelina was ook heel leuk.” “Omdat ze eten had klaargemaakt en dat dan was aangebrand,” legt kleuter Linne to the point uit. 

Griet woont tegenwoordig in Brugge, maar elke zomer komt ze een weekje in Oostende bij haar ouders logeren, speciaal voor het festival. “Het fijne is dat je er mensen tegenkomt die je al lang niet meer hebt gezien.” Dus botste ze toevallig op Hanne, die hier ook al een paar dagen rondloopt met dochter Kato. “Ik vind het hier heel plezant,” zegt die. “Gisteren heb ik al een grappig toneelstuk gezien, dadelijk gaan we naar Braaf zijn! En ik wil ook nog graag langs dat kotje waar je ingestoken wordt.” De installatie Wij van Ultima Thule, bedoelt Kato. Wij volgen haar suggestie en wandelen de vijver af naar het barakje met de drie poorten. Ik krijg prompt een lintje in mijn hand gestopt van ene Patrick met de boodschap: “Het is aan u.” “Hoezo, het is aan mij?”. “Ik moest het lint vasthouden tot ik iemand vond die het van mij wil overnemen.” Aan het andere uiteinde van het lint knikt de tweede pineut mij begrijpend toe. 

“Niet bang zijn voor de rookmachine in ons fabriekje,” stelt één van de fabriekstoezichters een peuter op de arm gerust. “Je komt er gewoon uit in een krokant korstje.” Ik ben eindelijk van mijn dagtaak afgeraakt en schuif aan om de installatie binnen te gaan. De opdracht is simpel: we moeten kiezen. Wie de deur binnengaat met het juiste symbool, is een winnaar. De rest zijn losers, bref. Ik sta in het hokje samen met Nell, die uit zes pogingen al vier overwinningen heeft weten te puren. Peter en de kleine Felix hadden minder geluk, het is hun derde keer al. En zowaar! We stappen de cabine uit als trotse eigenaars van een winnaarsbutton. 

In die staat van fierheid bereik ik het voorleesmoment Verhalen in alle talen van FMDO vzw. Verrassend hoe de kinderen zonder verpinken blijven luisteren naar een verhaal dat schakelt van het Oostends, naar het Spaans, naar een derde taal die we zelf niet begrijpen. “We hadden op voorhand een planning gemaakt,” zegt papa Piet een beetje hulpeloos. “Ik heb ons dochtertje al gewenkt, maar ze wil niet komen.” Nel houdt van boekjes, papa en mama hebben een voorleesverhaaltje beloofd, dus Nel blijft zitten. Fair enough. 

Onderweg naar De Vervelende Bus komen we voorbij het podium waar over een goed kwartier de Impro voor kinderen van De Nonsens Alliantie zal doorgaan. Er zitten al een paar mensen op de tribune, straks is er hier geen doorkomen meer aan. De origineelste suggestie die er, wat ons betreft, uit de opgestoken vingers zal komen? “Donder, bliksem en de zon schijnt zonkracht acht”: op de vraag naar een ‘bijzonder weersverschijnsel’ voor het gedoventolkte journaal. 

In de Vervelende Bus kleven de druppels tegen de ruiten. Tot de chauffeur de ruitenwissers opzet. Of nee, de chauffeur was niet te vinden, dus werd het die gekke man in dat rare pakje. Een halfuurtje vol aangekondigde verveling: we keken onze ogen uit. “Mama, het gaat beginnen!” roept een uk van pakweg vier. En dan dertig minuten lang: “Kijk, mama! En kijk daar! En daar!” “Er is hier gewoon té veel te zien,” zegt de stralende mama in kwestie als ze de bus uitstapt. “Wij wonen zelf in Oostende. We zijn hier toerist in eigen stad. Zalig is dat.” Of driejarig zoontje Leon zich echt heel erg had verveeld daar in die bus, willen we nog weten? “Jaaa! Ik wil er nog een keer in!” 

Herkenning en erkenning in ‘RONJA’

Thema-avond Stichting Nieuwe Helden geeft armoede een stem 

We verzamelen buiten aan de glazen inkom van het stadhuis. Ik kijk naar binnen en zie chique gedekte tafels met flessen wijn. Dat belooft. Wanneer we naar binnen mogen, vraagt een van de medewerkers me of ik hier in groep ben. “Alleen.” Ze brengt me naar mijn plaats waar ik de drie tafelgenoten leer kennen met wie ik de komende twee uur zal delen. Met RONJA wil Stichting Nieuwe Helden niet enkel een statement maken, ze willen ook de daad bij het woord voegen: we moeten elkaar weer meer ontmoeten om zo meer om elkaar te geven. Volgens hen is het een deel van de oplossing van het armoedeprobleem in onze samenleving. Daarom werden veertig van de honderd tickets via partnerorganisaties aan mensen in armoede gegeven. Want het is belangrijk om niet alleen over die mensen te praten, maar ook met. Het is een knappe en terechte reflex, maar het moet gezegd dat dit mooie uitgangspunt in de praktijk wat verloren gaat. Het publiek dat via die partnerorganisaties aanwezig was, zit dinsdagavond namelijk vooral in dezelfde groep. Er ontbreekt dus nog iets in de mix van de tafelzetting om echt te praten met. 

Vooraleer we het voorgerecht voor onze neus krijgen, is er een interview door regisseur en host Isil Vos. Zo is er iedere avond een andere armoede-expert die aan het woord komt. Vanavond is het aan Patrick Blondé van CKG (centrum voor kinderzorg en gezinsondersteuning, red.) ’t Kapoentje uit Oostende. Het centrum helpt jonge gezinnen bij het opvoeden van hun kinderen. Blondé houdt een vurig pleidooi tegen het labelen van mensen in armoede als ‘slechte ouders’ en voor het betrekken van die mensen bij de opvoeding van hun kinderen, tot en met het samen organiseren van kinderopvang. Blondé vertelt het met veel passie en een stukje woede – hij spaart daarbij de beleidsmakers en politici niet. In de zaal hoor je regelmatig het publiek instemmen. “Eindelijk iemand die het zegt zoals het is!” Helaas houdt de interviewster de teugels iets te weinig in handen, waardoor het betoog van Blondé bij momenten alle kanten uitschiet en zijn gegronde boodschap deels verloren dreigt te gaan. Een beetje zonde. 

‘Ik ben een leefloonmoeder’

Na het hoofdgerecht is het tijd om de tafels te verlaten en trekken we naar een conferentiezaaltje voor de eigenlijke voorstelling. Op het kleine podium zien we een buffetpiano met aan de achterkant een ingebouwd tv-scherm, een hoge kruk, en een kaartenmolen met flyers en brochures. Clara komt het podium op, stelt ons voor aan haar pianist en “rots in de branding” Francis en heet ons van harte welkom op de infoavond van RONJA – VILLAGE. Het zaallicht blijft aan. Dat past in de logica van een infomoment en houdt het tegelijkertijd laagdrempelig voor een publiek dat niet per se vertrouwd is met theater. Clara speelt meteen open kaart: “Ik ben een leefloonmoeder,” werpt ze het publiek toe. Ook over haar doel is ze duidelijk: een betere toekomst voor haar dochter Ronja. Op het scherm zien we een typisch – lees: klef – promofilmpje over een nieuw woonproject met de belofte van een idyllisch gezinsleven. Hier moeten we gaan wonen, zegt Clara. In dit project dragen de bewoners zorg voor elkaar, is er genoeg voor iedereen en het leven zorgeloos. Dit allemaal in groot contrast met haar situatie nu. 

Wat volgt, zijn een getuigenis en een aanklacht. Over hoe ze in de problemen geraakt is, en tegen het systeem dat haar in die miserie houdt. Voor het levensverhaal van Clara baseerde Stichting Nieuwe Helden zich op anderhalf jaar onderzoek waarvoor ze onder andere met heel wat mensen in armoede spraken. Oprechte hulde aan Stichting Nieuwe Helden dat ze zo een stem geven aan een groep die nog al te vaak stemloos moet blijven, niet alleen in de context van TAZ. Je voelt en hoort dat het resoneert in de zaal: herkenning en erkenning, eindelijk. “Wie heeft al eens schulden gehad?” Heel wat handen gaan de lucht in, een vrouw naast mij heeft tranen in de ogen. 

Dat het eigenlijk preken voor eigen kerk is, en de mensen – politici en beleidsmakers – die dit écht zouden moeten horen niet in de zaal zitten, deert niet. Het ‘Vierde Wereldlied’ dat Clara en Francis samen brengen, zorgt voor kippenvel. Maar in het willen overtuigen gaat soms wel juist dat verloren. Is het door de collage van getuigenissen? Of door de manier waarop die verteld worden? Clara wordt niet echt een personage van vlees en bloed. Dat valt des te meer op wanneer Francis na een tijd losbreekt vanachter zijn piano en de voorstelling zo ineens veel meer zuurstof geeft. 

In een gesprek over de voorstelling (zie TAZette #06) was regisseur Isil Vos duidelijk over de bedoeling met RONJA: we moéten het over armoede blijven hebben. Daar is Stichting Nieuwe Helden met deze avond zeker in geslaagd. Laat de oprechte bezorgdheid die curator Lucas De Man en de zijnen dit jaar naar TAZ brachten, met onder andere RONJA en The Village, geen eendagsvlieg zijn, maar de eerste stap van nog vele. Ja, we moeten het hierover blijven hebben.

Beeld:  Indy Mah

Een krachtveld met hindernissen

Improvisatie staat centraal in ‘Physical Proof’

Over ’t water, ergens in een loods, performen twee jongemannen, Hernán Mancebo Martinez en Rino Sokol, elke avond met hun twee de voorstelling Physical Proof. In dit stukje onvervalst fysiek theater transformeren Martinez en Sokol hun scène tot een krachtveld van aantrekking-afstoting, actie-reactie en spanning-bezinning. Ze improviseren zich als het ware een weg naar elkaar toe. 

Voor de eerste scène van de voorstelling bevinden Mancebo Martinez en Sokol aan de rechterzijde van het speelvlak. Ze kijken naar de twee stoelen die er opgesteld staan. Vervolgens begeven ze zich gelijktijdig naar die stoelen, tillen er één voorzichtig van de grond en plaatsen de stoel ergens anders in de ruimte. Terwijl ze dat doen, houden ze elkaar scherp in de gaten. De passen die ze zetten op de bühne, meten ze af aan de stappen die de ander neemt. Zo ontstaat een aftastende choreografie tussen twee mensen, gefaciliteerd door twee objecten. Wanneer ze de stoel ergens neergezet hebben, houden ze even stil, aanschouwen de nieuwe ruimtelijke compositie en knikken naar elkaar dat het tijd is voor een weer nieuwe constellatie. 

Op een gegeven moment vraagt één van hen aan de ander: “What do you see?”. Waarop de ander zijn verbeelding de vrije loop laat en iets probeert te ontwaren in de constructie die ze opgezet hebben. Zo gaan ze wel even door – en meestal zijn de antwoorden best grappig. In de trant van: “I see a galaxy with moving celestial bodies”. Of: “I see a school bus, like this big yellow American school busses”. Het lijkt alsof ze naar een abstract schilderij kijken en proberen om de abstractie terug te brengen naar wat het beeld representeert. In Physical Proof wordt er, kortom, vaak geïmproviseerd. 

(c) Marc T. Photography

Hoewel het niet duidelijk is wat er op voorhand afgesproken werd en wat niet, zou het goed kunnen dat de performers hun composities in de ruimte – en hun antwoorden op de vragen – van het moment zelf laten afhangen. Het is mooi om te zien hoe ze zich schijnbaar laten leiden door hun intuïtie, door de dynamiek met de ander om tot een nieuwe compositie te komen, om dan te reflecteren over de tastbare schoonheid die hun gezamenlijke intuïtie heeft voortgebracht. 

Na deze doortastende eerste scène verschuift de focus van de voorstelling meer naar de ‘fysicaliteit’ van beide jongemannen. We maken een soort training mee tot ‘meester-verleider’, waarbij Mancebo Martinez de nogal knullige Sokol hardhandig coacht in het aanleren van het bewegingsregister van een dansende Don Juan. Ook simuleren de twee een gevecht met elkaar, waarbij ze pretenderen alle elementen te beheersen. Bij dit soort sketches moeten Mancebo Martinez en Sokol het vooral hebben van de kolder. Vervolgens voeren ze een gesprek en bevragen ze elkaar over hun ontluikende seksualiteit. Hoe weet je of een meisje wilt dat je met haar de liefde bedrijft, of neukt? In deze scènes staat de overgang van ‘jongen’ naar ‘man’ centraal. Het niveau van deze gesprekken laat echter soms wat te wensen over. Inhoudelijk is het niet erg belangwekkend, en ook weinig zelfrelativerend. Bovendien gaat de helft van de gesprekken soms verloren door de slechte akoestiek. Dat is jammer. 

Door improvisatie als methode te hanteren voor een creatie, zet Physical Proof wel iets op het spel. Het duo bouwt een spanning op die je als toeschouwers vooral nieuwsgierig maakt naar welke bewegingen de performers bij elkaar zullen uitlokken. Je vraagt je gaandeweg ook af of ze erin zullen slagen die intensiteit tot het eind toe vol te houden. Met een improvisatievoorstelling loop je soms immers ook het risico dat het geheel wat in elkaar zakt, omdat de flow plots hapert of de samenhang ontbeert. Dat gebeurt in Physical Proof ook bij momenten. Soms lijkt het tweetal rond elkaar te cirkelen, zonder veel betekenis of diepgang. Maar het artistieke lef waarmee Martinew en Sokol zichzelf avond na avond durven heruit te vinden, is bewonderenswaardig. Waarbij de mogelijkheid bestaat dat u vanavond iets helemaal anders te zien krijgt. Dat zou best wel eens kunnen. 

HET IS AAN… Mats Van Herreweghe

HET IS AAN…
MATS VAN HERREWEGHE


Beste lezer,

Bezig zijn met ‘jong werk’ betekent voor een deel: bezig zijn met verbeelden hoe kunst er in de toekomst kan uitzien. Sta me daarom toe om een aantal van mijn utopische ideeën voor het Jong Werk op TAZ aan jullie te introduceren.
Jong Werk zou een plaats moeten zijn waar diverse artistieke praktijken-in-evolutie zich met elkaar verbinden, waarin op zoek wordt gegaan naar duurzame manieren van samenwerken en waarin nieuwe/radicale/utopische/poëtische verbeeldingen worden gecreëerd.
De manier waarop het Jong Werk nu is vormgegeven, waarbij iedereen op een eigen locatie eigen werk presenteert, is daarom nog niet helemaal toereikend.
Nu het einde van het festival stilaan aan de horizon verschijnt, lijkt me daarom een aantal open vragen aan de orde:

1. Hoe creëren we een plaats waarbij niet alleen het resultaat maar ook het gesprek belangrijk is? Een architectuur die ervoor zorgt dat de één niet beter is dan de ander, maar waarbij we er allemaal met elkaar en voor elkaar zijn?
2. Hoe delen we dat gesprek met een breed publiek?
3. Hoe kunnen jonge kunstenaars meer verantwoordelijkheid krijgen in keuzes en artistieke beslissingen die in de eerste plaats hén aanbelangen?
4. Hoe zorgen we van bij het begin voor een gezond ecosysteem tussen jonge kunstenaars, de mid career generatie en ouder?
5. Moeten we in die zin niet nadenken over een nieuwe naam voor het label ‘Jong Werk’? Bestaat er geen breed toegankelijk synoniem voor praktijken ‘in transitie’?

Terwijl ik deze vragen opschrijf, zit ik in een park te kijken naar kinderen, pubers en – in mijn verbeelding – ook naar volwassenen en ouderen die op een uit touwen geweven klimtuig aan het spelen zijn. ’t Is zo’n tuig dat we samen moeten bouwen, iets waar we kunnen aan bouwen en wat we kunnen ombouwen. Als een uitnodiging om te spelen.

Zomerse groeten,
Mats


Illustratie: Janice Feryn

De harmonie van oud en nieuw

Eric Sleichim over het concert ‘Stylus Fantasticus’ 

Componist Eric Sleichim zit op een zonovergoten terras een burrata met gegrilde groenten te eten. Ik herken hem niet meteen achter zijn grote zwarte zonnebril. Die is dan nog hoogstnodig, maar de schaduw zal onze tafel helemaal overgenomen hebben als ik twee-en-een-half uur later afscheid neem na een privaat mastercollege ‘Vroege barokmuziek en saxofoonarrangementen’. 

Schizofreen 

Vorig jaar vierden de saxofonen van Bl!ndman hun dertigste verjaardag. Oprichter Eric Sleichim begon in 1988 in de eerste plaats een zoektocht naar nieuwe klanken en speelmethoden voor de saxofoon. Hun programma bestond uit uitdagende hedendaagse muziek. “Ik ben verliefd geworden op de saxofoon dankzij de jazzmuziek,” zegt hij. “John Coltrane, Charlie Parker… Zij hebben een eigen stem heb. De saxofoon ligt zo dicht bij de menselijke stem dat het net zo persoonlijk wordt.” 

Een klassiek repertoire zwoer hij dan nog radicaal af. Hij behoort tot de generatie van Tachtigers, zoals Anne Teresa De Keersmaeker, Jan Fabre, Ivo Van Hove – met wie hij allemaal samenwerkte. Of beter: “het kot wilde afbreken”, zoals hij dat ooit noemde. “Ik hield van Bach en ik hield van sax, maar je moet dat niet vermengen, dacht ik. Voor mij belichtte het klassieke repertoire de saxofoon op een verkeerde manier. Ik hield van het schizofrene karakter ervan: qua morfologie is het een koperblazer, maar qua speelprincipe een houtblazer. Maar klassieke componisten willen de sax integreren in een orkest en verliezen zo dat persoonlijke stemgeluid.” 

‘Wij hadden een gelijkaardige openbaring als de monniken die engelen hoorden’ 

Sinds een aantal jaren is dat helemaal anders. “Na al het hedendaagse werk dat wij maakten, begonnen we de voeling te verliezen met de basisharmonie. Daarvoor is klassiek materiaal nodig. We begonnen daarom de koralen (kerkliederen, red.) van Bach te oefenen tijdens repetities. Die zijn op het zicht te lezen en ze zijn vierstemmig zoals een saxofoonkwartet.” 

In een interview lang geleden, nog voor de klassieke arrangementen, noemde je die oefeningen ‘helend’. Hoe bedoelde je dat? 

“Hedendaagse muziek is geweldig complex, zowel om naar te luisteren als om te spelen. Het gaat niet meer om tonale thema’s, maar om structuren en geluidsfrequenties. Als kwartet vorm je geen harmonieus geheel meer waarbij iemand een grondtoon, een ander een terts, een derde een kwint en de laatste een octaaf speelt. Wat je speelt, herkent het gehoor niet meer als een harmonie. Een legende gaat dat de monniken in de middeleeuwen octaven zongen tot iemand zich vergiste en in plaats van een octaaf een kwint zong. Plots hoorden ze andere stemmen, de engelen zogezegd. Waar of niet, wij hadden een gelijkaardige openbaring toen we de koralen oefenden. Het is echt een menselijke genoegdoening om die harmonie te bereiken.” 

Dj’en met de renaissance 

Die oefeningen begon het kwartet ook bij wijze van opwarming voor concerten te spelen. Organisatoren vroegen dan vaak of ze dat ook op het concert zouden spelen, goed wetende dat ze een hedendaags programma hadden. “Toen heb ik ook beseft dat die oude muziek dankzij de saxofoon een moderne perceptie kreeg. Dat was echt een geschenk voor de carrière van Bl!ndman.” 

Eric Sleichim © Niko Caignie

“Toen ging ik op zoek naar andere muziek en ontdekte de eerste polyfone muziek uit de tiende en elfde eeuw. Dat speel je nooit op het conservatorium, maar ik vond dat ongelooflijk modern klinken. Ik ging het combineren met elektronica en hedendaagse muziek en het publiek wist vaak niet wat nu de oude en de nieuwe muziek was. Ik vond het belangrijk om te doen, zowel voor de saxofoon als voor de muziek in het algemeen. Het was niet alleen een volledig nieuw repertoire voor de sax, maar ook een manier om een groter publiek voor hedendaagse muziek aan te boren.” 

Bevat het programma voor Stylus Fantasticus, de naam voor een zeer vrije speelvorm in de vroege barok, daarom – naast barokcomponisten als Bach en Buxtehude – ook hedendaagse muziek van Arvo Pärt en een bewerking van de zestiende-eeuwse renaissancecomponist Carlo Gesualdo? 

Stylus fantasticus is eigenlijk een verzamelnaam voor componisten die zich vanaf de zestiende eeuw hebben gepermitteerd om volledig vrij te spelen. Zonder thema, melodie of structuur. Net zoals jazzimprovisaties vandaag – alleen leiden die zelden tot composities. Dat heb ik altijd jammer gevonden.” 

“Je zou kunnen zeggen dat Dietrich Buxtehude (1637-1707) de climax van die beweging was. De jonge Bach wandelde zelfs van Arnstadt in Thüringen naar Lübeck in Noord-Duitsland om hem te horen spelen, ook al moest hij daarvoor spijbelen bij de kerk waar hij organist was. De traditie was dat de opvolger van de organist ook met zijn dochter trouwt, maar nadat Bach Buxtehudes dochter had gezien, zou hij toch zijn teruggekeerd. Van Buxtehudes orgelimprovisaties val je omver, dat is bijna free jazz.” 

“Gesualdo (1566-1613) zou je dan weer kunnen beschouwen als het begin van de stylus fantasticus. Hij staat aan de basis van die vrije muzikale attitude. Hij is tot het uiterste gegaan van de toen gehanteerde muziekregels in de modale muziek (volgens ‘modi’ of wijzen om hele en halve tonen te ordenen, red.). Hij respecteerde niet dat een thema neerdaalt op een vertrouwde toon en neemt een je mee naar oorden die je jezelf niet kan inbeelden. Alle grote componisten hebben regels aan hun laars gelapt en dat alleen maakt van jou geen grote componist, maar het is wel nodig om anders te gaan denken.” 

Bij Buxtehude speelt Sleichim tubax, een soort kleine contrabassaxofoon voor de lage tonen van het orgel – “heel je lichaam trilt mee, je maakt deel uit van de klankkast’ – maar bij Gesualdo bespeelt hij de elektronica. “Ongeveer drie jaar geleden dirigeerde Philippe Herreweghe het zesde madrigalenboek van Gesualdo op Collegium Vocale in Gent en ik kwam dronken uit dat concert. Daarop heb ik gevraagd of ik de opnames mocht gebruiken zoals in de stylus fantasticus. Ik heb een aantal madrigalen versneden en die ga ik ter plekke herorganiseren met elektronica. Onrespectvol gezegd: ik ga dj’en.” 

‘De laatste avond ga ik naar boven, mijn bonnetjes opdrinken’

TAZ achter de schermen: in de keuken 

We geven het weinig kans, maar had u een idee dat de maaltijden die u hier op TAZ met smaak naar binnen speelt, worden bereid door: mensen die op Wimbledon hebben gestaan? Backpackers met een voorliefde voor het Midden-Oosten? Werkenden die hun vakantie misbruiken om nog méér te werken? Wij weten het ook nu pas. En waren blij dat we even bij het clubje mochten horen. 

“Dit hier he, juffrouw, je pakt dat met de kop en je trekt dat naar beneden. Je moet het niet moeilijk maken als het ook gemakkelijk kan he.” Geen instructies bij het garnalen pellen, maar bij het prepareren van een kom muntblaadjes. Ik draai een shift mee in de keuken van TAZ. Het is te zeggen: zo had ik het aangebracht bij chef Philippe. Hoe lang ik dan precies wou meehelpen? Ik: “Een uurtje of zo?” Hij moest eens lachen. 

Ze werken hier in shifts van zes uur, met vier ploegen die elkaar aflossen. De meeste helpers in het team kennen elkaar al langer. “Hanna, hoeveel jaar werk jij hier al? Vier?” vraagt Daniel, de tweede in bevel. “Bij Colette is het de vijfde keer, An is hier ook al voor het derde jaar. Nadine, Veerle en Jetje zijn nieuw. Waar die toffe sfeer vandaan komt waar iedereen het over heeft? De meesten hier zijn vrijwilligers. Die zijn doorgaans echt gemotiveerd. En er wordt hier niet geroepen en getierd.” 

“Colette, die moet je pas als laatste geven, eerst die andere!” gebaart hij tussendoor. En in een andere richting: “Fijnsnijden? Nee, dat mag er zo bij.” En: “Heb je dat goed gemengd? Beetje peper en zout bij gedaan?” Daniel is hier al voor het tiende jaar. Voordien gaf hij twintig jaar les aan koks in spe. “Ik ken mijn stiel, om het zo te zeggen. Waarom ik dit ben beginnen doen? Als je lesgeeft ben je veel thuis. En ik heb geen zittend gat. Trouwens, Jean, mon petit frère préféré daar, heeft ook een schone beroepscarrière gehad als kok. Heeft hij je verteld dat we samen nog op Wimbledon hebben gestaan? Afin, wel toen het veld leeg was. Voor de catering tijdens het tornooi, lang geleden.” 

© Marcia van der Zwan

Jean grinnikt en wuift iets weg. Daarover heeft hij het niet gehad. Ik weet intussen wel dat hij nog in het eerste groepje van Arno heeft gespeeld. En dat hij net als zijn broer met pensioen is. “Maar aan hem kan je dat zien he. Ach ja, waarom ben ik hier? Ik móet hier gewoon zijn. Voor mij is het een routine geworden tijdens de zomer.” Voor Jean ís TAZ de keuken. Voorstellingen kijken, zit er na een lange dag niet meer in. Direct na de job gaat hij naar huis, “Behalve de laatste dag. Dan ga ik naar boven. Mijn bonnetjes opdrinken. (lacht)” 

Dat het zwaar is, weet iedereen me wel te vertellen. “Ik had het een beetje onderschat,” zegt Jet. Zes uur rechtstaan is ook niet evident als je 65 bent. Ik ben hier vooral voor het sociaal gebeuren. Ik ben alleen en wilde wat te doen hebben onder de vakantie. Het is hier gezellig. ’s Avonds schuiven we nog samen aan tafel. Of ik dan content ben met wat ik eet? Zeker! Het is lekker. Ik denk dat ik nog nooit zo gezond gegeten heb als deze week, voor mezelf maak ik die dingen niet klaar.” 

“Hoe fijn moet dat?” vraagt ze als Philippe de snijtafel langsgaat. “Een beetje fijner als het kan. Kruiden die fijn gesneden zijn, zijn altijd lekkerder in de mond.” De chef-kok was ooit ergotherapeut. “Ik heb lang in sociale werkplaatsen gewerkt. In 2000 ben ik gaan fietsen in het Midden-Oosten. De keuken daar is heel lekker, avontuurlijk en plezant. Dat heeft mij getriggerd. Toen ik weer thuis was, wou ik gaan koken.” 

“Weet je wat ze in Syrië doen?” vervolgt hij met passie. “Daar halen ze kebab door de molen, mengen er lekkere kruiden door en doen er allerlei groenten en bijgerechtjes bij. Zo willen we hier eigenlijk ook werken: met kleine gerechtjes die samen maken dat je een mooi bordje krijgt. Allemaal vers, zelf verwerkt. Tiens, het valt me net op dat we vanmiddag geen Syriërs in de ploeg hebben. Die komen straks nog.” 

Het Oostends is inderdaad niet de enige taal in het team. Hanna komt uit Antwerpen. “Ik weet intussen dat een teusje een drankje is en een seule een emmer. De stad begin ik ook wat te kennen. Straks ga ik naar het strand, of wat shoppen. Of ik ga naar de vismijn wat garnaaltjes halen. Ik probeer er ook echt wat vakantie van te maken. Het restaurant waar ik werk, is drie weken gesloten. Dan kom ik hier maar wat koken, ik doe dat graag, voor mij is dat niet werken.” 

Zes weken thuis is ook voor Brigitte te lang. Ze komt hier samen met haar dochter, haar zus Veronique en haar schoonbroer de afwas doen. “Je bent bij de mensen, je bent bezig. Het is hier één grote familie. Je krijgt hier ook veel respect voor het werk dat je doet,” vult Veronique aan. “Mensen bedanken je voor je werk als ze passeren. Die waardering doet wel deugd.” 

Het stapeltje vuile kookpotten wordt intussen hoger, het buffet raakt gevuld, de stress stijgt. Veerle – die vorig jaar gewoon iets kwam drinken in de Koer en toen dacht: ik doe mee – heeft na een paar minuutjes geen tijd meer voor mij. “Ik ga voortdoen!” Dadelijk schuift 450 man aan voor de middaglunch. Vanavond staat er Oosterse kip op het menu. Heerlijk. Met muntblaadjes gepeld door ondergetekende.